Het doel van het gesprek zoals bedoeld in artikel 6 van de Verordening is om te bepalen wat er in de specifieke situatie van de jeugdige nodig is. Het gesprek wordt zo spoedig mogelijk na de melding ingepland. Tijdens het gesprek komt in ieder geval aan bod:
wat de aard en de ernst van het probleem is;
de gezinssituatie;
de situatie van de jeugdige;
het gewenste resultaat en of daartoe jeugdhulp is benodigd;
het vermogen van de jeugdige om zelf, of met behulp van zijn netwerk, een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
de mogelijkheid om de hulpvraag te beantwoorden door inzet van een algemene voorziening, jeugdgezondheidszorg door de GGD, begeleiding door het CJG zelf en schoolmaatschappelijk werk;
de mogelijkheid en noodzaak om de hulpvraag te beantwoorden middels individuele voorziening;
als een individuele voorziening aan de orde is, of de ouders zorg in natura (verder ‘zin’) willen of een pgb;
als een pgb aan de orde is, of de jeugdige of zijn ouders:
kunnen motiveren dat de door het college gecontracteerde individuele voorzieningen niet passend zijn;
een budgetplan voor de pgb hebben opgesteld; en,
bereid zijn de kosten die uitstijgen boven de kostprijs van de naar het oordeel van het college adequate individuele voorziening in natura zelf te bekostigen;
de manier waarop de individuele jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.
Tijdens het gesprek kan de jeugdige of zijn ouders zich door iemand laten bijstaan. Dit mag een persoon uit het (directe) netwerk zijn, maar ook een kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuner.
Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk na het gesprek, en uiterlijk 10 werkdagen na afronding van het gesprek, door het college samen met de jeugdige of zijn ouders uitgewerkt tot een verslag of een ondersteuningsplan. In plaats hiervan kan ook het familiegroepsplan gebruikt worden. De termijn van 10 werkdagen kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders worden verlengd.
Het verslag of het ondersteuningsplan vermeldt de in te zetten zorg en ondersteuning met gebruikmaking van het in bijlage 1 opgenomen Afwegingskader. In het verslag of ondersteuningsplan zal ook beschreven zijn van welke vormen van algemeen toegankelijke voorziening of andere voorziening de jeugdige of de ouders gebruik gaan maken of voor welke individuele voorziening de jeugdige of de ouders een aanvraag indienen bij het college.
In het geval een individuele voorziening zal worden aangevraagd, bevat het ondersteuningsplan ten minste:
BSN kind;
Woonplaats kind;
Verblijfadres kind en contactgegevens ouders, inclusief BSN nummer van de ouders;
Wettelijk vertegenwoordigers van het kind;
Veiligheidsanalyse;
Hulpvraag systeem; ouder(s), kinderen/jongeren;
Korte analyse situatie;
Wat kunnen ouders en kinderen/jongeren zelf;
In welke mate de gebruikelijke hulp kan worden ingezet;
Wat kan het netwerk/omgeving systeem betekenen (scholen, verenigingen, kerken etc.);
Wat is er nodig aan algemeen toegankelijke voorzieningen;
Wat is er nodig aan andere voorzieningen;
Wat is er nodig aan individuele voorzieningen;
Zin of pgb;
Afspraken over het resultaat van de zorginzet, concreet en meetbaar beschreven;
Contactpersoon CJG;
Evaluatie of nazorgmoment.
De jeugdige of zijn ouders tekenen het ondersteuningsplan of het verslag voor gezien of akkoord en zorgen er voor dat als ze het ondersteuningsplan of het verslag willen laten aanmerken als een aanvraag, een getekend exemplaar wordt gezonden aan het college.
Als de jeugdige of zijn ouders tekenen voor gezien kan worden aangegeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is met het plan. In het geval dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de inhoud van het plan kan altijd alsnog een aanvraag worden ingediend voor een individuele voorziening.