Naar hoofdinhoud
Beleidsregels met betrekking tot het verstrekken van parkeervergunningen in verband met mantelzorg: Burgemeester en wethouders stellen op grond van artikel 3 lid 11 van de geldende parkeerverordening vast onder welke voorwaarden een vergunning wordt verleend aan een houder of eigenaar van een motorvoertuig in afwijking van artikel 3 lid 2. Met artikel 3 lid 10 worden beperkingen in parkeerplaatsen en -tijd en nadere beperkingen opgelegd. Er kan een parkeervergunning worden verleend aan een aanvrager die ten behoeve van de mantelzorg van een familielid (later te noemen patiënt) redelijkerwijs kan aantonen een motorvoertuig nodig te hebben bij de uitvoering van de zorg. Daarnaast worden de volgende aanvullende voorwaarden gesteld; dat de patiënt als bewoner staat ingeschreven op een woonadres waar vergunningenparkeren van kracht is; dat er geen alternatieve parkeergelegenheid beschikbaar is binnen een straal van 150 meter om de woning van de patiënt; dat de woning waar de patiënt staat ingeschreven niet over zelfstandige parkeerruimte beschikt; dat er voor de woning waar de patiënt staat ingeschreven geen overige parkeervergunningen zijn afgegeven; dat uitsluitend de aanvrager noodzakelijke hulp aan de patiënt kan verlenen; dat de vergunning voor maximaal 6 maanden wordt verstrekt. Stilzwijgende verlenging is niet mogelijk. Indien aan alle voornoemde voorwaarden wordt voldaan, kan een vergunning worden afgegeven voor de dichtst bij de woning van de patiënt gelegen parkeerautomatenplaats. De vergunning wordt uitsluitend afgegeven voor maandag tot en met vrijdag van 09:00 tot 18:00. De koopavonden en zaterdag worden vanwege de parkeerdruk uitgesloten. In noodgevallen kan de aanvrager gebruik maken van de dagdeelparkeervergunningen die voor de bewoner verkrijgbaar zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel