Naar hoofdinhoud
1.. Aan de directeur, alsmede diens plaatsvervanger, wordt voor zover het bevoegdheden van het college betreft, mandaat of machtiging verleend overeenkomstig het bij dit besluit behorende mandaatregister, dat is opgenomen als bijlage II bij dit besluit. 2.. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 3.. De directeur, alsmede diens plaatsvervanger, wordt mandaat en machtiging verleend om namens het college alle feitelijke handelingen te verrichten ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden bedoeld in lid 1.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel