Lid 1
Als de werkgever van mening is dat de geregistreerde nevenwerkzaamheden in strijd zijn met artikel 8 lid 1, onder a van de Ambtenarenwet dan ontvangt de werknemer een gemotiveerd schriftelijk besluit over een verbod op deze nevenwerkzaamheden.
Lid 2
De werknemer beëindigt na een besluit zoals genoemd in lid 1 met onmiddellijke ingang de nevenwerkzaamheden.
Lid 3
De werkgever kan de nevenwerkzaamheden alleen verbieden indien door het verrichten van de werkzaamheden of het uitoefenen van het bedrijf de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid is verzekerd.
Lid 4
De werkgever kan in plaats van het verbod als bedoeld in lid 1, aanvullende afspraken maken met de werknemer of beperkingen opleggen aan de werknemer. Deze afspraken zijn zodanig dat de mogelijkheid van belangenverstrengeling zich niet meer voordoet.
Lid 5
Voortzetting van de verboden nevenwerkzaamheden kan aanleiding zijn voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.