Naar hoofdinhoud

Artikel 1.1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Vaarwegenverordening gemeente Nieuwkoop 2020

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: aanleggen: het afmeren of voor anker leggen en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig met een duur van maximaal 18 uur aaneengesloten; beheer: de overheidszorg voor de onder deze verordening vallende vaarwegen gericht op instandhouding van die vaarwegen en een veilig gebruik daarvan (zowel vaarwegbeheer als nautisch beheer); belanghebbende: een natuurlijk of rechtspersoon, die belang heeft bij de aanwezigheid van objecten (zoals een brug) voor de ontsluiting van een perceel, ook al is die natuurlijk of rechtspersoon niet de eigenaar van het betreffende object; belemmeren scheepvaart: het verrichten van zodanig handelingen/activiteiten in of boven een vaarweg, waarvan de scheepvaart in meer of mindere mate hinder ondervindt; beslistermijn: termijn waarbinnen het college beslist, na eventuele verdaging van de termijn, op een ingediende vergunningaanvraag; BPR: Binnenvaart Politie Reglement waarin regels zijn opgenomen over het gebruikmaken van vaarwegen door schepen; BRTN-route: Vaarroute die onderdeel uitmaakt van het Nederlandse toervaartnetwerk als bedoeld in de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland en welke voldoet aan de daarvoor minimaal vereiste afmetingen (breedte en diepte) ten behoeve van de doorvaart; brug: een vaste of beweegbare verbinding tussen twee percelen die gescheiden zijn door oppervlaktewater; college: het college van burgemeester en wethouders; doorvaarthoogte: de maximale hoogte waarmee een schip ongehinderd onder een brug door kan varen, die doorgaans wordt gemeten vanaf het hoogste peil van het wateroppervlak; elektrovaartuig: een motorvaartuig dat mechanisch wordt voortbewogen door middel van een elektromotor; jachthaven: een planologisch geregeld onderkomen voor boten, speciaal voor dit gebruiksdoel gecreëerd, ingericht of beschikbaar gesteld, waarvan de eigenaar c.q. gebruiker zijn boot kan achterlaten onder toezicht van de havenexploitant; kort verblijf: het kortstondig innemen van een ligplaats voor het in- en uitstappen van passagiers, het laden en lossen van pleziervaart gerelateerde goederen, het te water laten van een pleziervaartuig of ten behoeve van het bedienen van een brug of sluis; ligplaats: een daartoe door het college als zodanig aangewezen of aangelegde openbare locatie, waar schepen kunnen aanleggen/aanmeren; ligplaats innemen: het afmeren of voor anker leggen en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig anders dan voor het aanleggen; motorvaartuig: schip dat gebruik maakt van zijn mechanische middelen voor de voortbeweging (art. 1.01, onder A, 2º, van het Binnenvaartpolitiereglement); onderhoud vaarweg: het in stand houden van het vaarwegprofiel, d.w.z. de doorvaartbreedte en -diepte van een vaarweg; plassengebied: Nieuwkoopse Plassen, de gebieden begrensd door: de Ziendeweg, Zuideinde, Dorpsstraat, Noordenseweg, Simon van Capelweg, Voorweg, Uitweg, Hollandsekade en Meije; Langeraarse Plassen, de gebieden begrensd door de Langeraarseweg, Geerweg, Paradijsweg en Smidskade. pleziervaartuig: elk schip dat onder eigen verantwoordelijkheid en alleen voor het eigen genoegen van de gebruiker uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt voor enige vorm van pleziervaart, waterrecreatie of watersport dan wel door zijn constructie, afmetingen en inrichting uitsluitend of hoofdzakelijk daartoe bestemd of geschikt is. rietkraag: een van een water of oever deel uitmakende oppervlakte van tenminste 1 vierkante meter, welke is begroeid met riet, biezen, lisdodden en/of andere helofyten en is gelegen buiten gecultiveerde siertuinen van woningen of bedrijfsgebouwen; roeivaartuig: een schip dat met spierkracht wordt voortbewogen. Scheepvaartverkeerswet: Wet die regels stelt met het oog op de instandhouding van vaarwegen en het vlotte en veilige verloop van het scheepvaartverkeer op die vaarwegen; schip: elk vaartuig (al dan niet gemotoriseerd) met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water (art. 1.01, onder A, 1º, van het Binnenvaartpolitiereglement); schipper: degene die een schip voert dan wel degene die daarover de leiding heeft; sluis: een waterstaatswerk gelegen in een dijk, dat enerzijds het water keert en anderzijds schepen in de gelegenheid stelt te worden getransporteerd tussen twee waterwegen met verschillend waterpeil; stremmen scheepvaart: het verrichten van zodanige handelingen/activiteiten in of boven een vaarweg, waardoor de scheepvaart in het geheel onmogelijk wordt gemaakt; vaarwegprofiel: het deel van de dwarsdoorsnede van een vaarweg dat minimaal vrij beschikbaar moet zijn voor de afwikkeling van scheepvaartverkeer en dat door het college op bijlage 1 is aangegeven als minimale breedte, diepte en vrije doorvaarthoogte en -breedte van de aangewezen vaarwegen; vaarweg: voor het openbaar scheepvaartverkeer toegankelijk water, inclusief de oevers(-voorzieningen), die op de bij deze verordening behorende bijlage 2 en 3 als zodanig zijn vermeld; werf: een aan water gelegen terrein, voorzien van een botenhelling of een andere inrichting om vaartuigen uit het water te halen en daarin te brengen, alsmede een loods of een werkplaats, waar bedrijfsmatig vaartuigen worden gebouwd, verbouwd, uitgerust, onderhouden, gerepareerd of opgeslagen. werk: alle door menselijk toedoen ontstane, gemaakte of aanwezige constructies of inrichtingen met toebehoren op of aan (de oevers van) een vaarweg; woonschip: primair voor bewoning bestemd schip/object, in het algemeen zonder middelen tot voortbeweging, met een vaste ligplaats ten behoeve van langdurig (woon)verblijf. woonschepenhaven: een planologisch geregeld onderkomen voor woonschepen, speciaal voor dit gebruiksdoel gecreëerd, ingericht of beschikbaar gesteld; zeilvaartuig: een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortbewogen door windkracht (art. 1.01, onder A, 15º, van het Binnenvaartpolitiereglement). Een zeilplank valt ook onder deze definitie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel