Naar hoofdinhoud
1.. Als de cliënt niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp van mantelzorgers of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk zijn woning schoon en leefbaar kan houden, komt hij in aanmerking komen voor schoonmaakondersteuning en signalering. 2.. Schoonmaakondersteuning omvat de volgende activiteiten: licht huishoudelijk werk: opruimen, afwassen, (af)wasmachine in- en uitruimen, stof afnemen, bedden opmaken, huishoudelijke afval opruimen; zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, schrobben, dweilen, sanitair en keuken schoonmaken, bedden verschonen; de was doen en strijken: het sorteren en wassen van kleding, linnengoed in de wasmachine, het drogen van de was in de droogtrommel, het ophangen en afhalen van de was, het vouwen en opbergen van het wasgoed en het strijken van bovenkleding; Signalering bestaat uit het opmerken van dan wel aandacht hebben voor: relevante veranderingen van de gezondheidssituatie van de cliënt; relevante veranderingen van de leefomstandigheden van de cliënt, onder andere door het controleren van houdbaarheidsdata van producten in de koelkast; relevante verandering van de sociale omgeving van de cliënt; vereenzaming van de cliënt. Signalen van de zorgverlener worden neergelegd bij zijn of haar leidinggevende, waarna adequate actie wordt ondernomen. 3.. Het college stelt de noodzaak en omvang van de schoonmaakondersteuning en signalering vast op basis van het ‘Normeringsoverzicht Hulp bij het huishouden” en het Protocol gebruikelijke hulp´. Beide documenten zijn als bijlagen aan deze beleidsregels gehecht. 4.. In het geval van overlijden van de cliënt wordt schoonmaakondersteuning en signalering, ongeacht of deze maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb is verstrekt, gecontinueerd tot zes weken na het overlijden. Het vorenstaande is niet van toepassing in het geval er sprake is van een eenpersoonshuishouden.

Rechtspraak bij dit artikel