In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan het college van Gedeputeerde Staten de grenzen heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de Wegenwet;
b. breedte: de effectieve breedte van een uitweg waar deze uitmondt op de rijbaan. De ruimte benodigd voor boogstralen maakt geen onderdeel uit van de breedte van de uitweg;
c. uitweg: de uitweg is de ruimte (uitgedrukt in lengte en breedte) die dienst doet als in- en uitgang voor voertuigen ter ontsluiting van gebouwen, bouwwerken niet zijnde gebouwen (bijv. telecommunicatiemasten) of percelen op de openbare weg. Met uitwegen worden ook de in het spraakgebruik voorkomende termijn “in- en uitritten” en “opritten” bedoeld. Ook de verbreding van “uitwegen”, ”in- en uitritten” en “opritten” valt onder het begrip uitweg;
d. weg: weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, o onder b van de Wegenverkeerswet;