Naar hoofdinhoud
1.. De burgemeester kan aan een persoon een verbod opleggen, inhoudende zich gedurende een bepaalde periode niet te bevinden in een aangewezen gebied. 2.. Het verblijfsverbod kan worden opgelegd in het belang van de openbare orde, waaronder het voorkomen of beperken van structurele overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat of het waarborgen van de veiligheid van personen en goederen. 3.. Het verblijfsverbod wordt niet eerder opgelegd, dan nadat er voor de tweede keer een overtreding van de in artikel 4 van deze beleidsregels genoemde feiten wordt geconstateerd of voor de tweede keer een andere gedraging wordt geconstateerd, waarbij de openbare orde in het geding is. 4.. De duur van het verblijfsverbod en de omvang van het gebied waarvoor het verbod geldt, worden bepaald aan de hand van de aard van de gedraging. 5.. Het verblijfsverbod kan hoogstens voor de duur van 12 weken worden opgelegd. 6.. Het besluit tot het opleggen van een verblijfsverbod wordt door de politie aan de betrokkene uitgereikt en wordt tevens per post verzonden. 7.. Een afschrift van het besluit wordt verzonden naar de teamchef van de politie. 8.. Het verblijfsverbod is een herstelsanctie en sluit strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie tegen de gepleegde strafbare feiten niet uit.

Rechtspraak bij dit artikel