Geen individuele voorziening wordt verstrekt als:
er sprake is van een andere voorziening als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de wet;
de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) naar oordeel van het college toereikend zijn;
het gebruik van een overige voorziening de vastgestelde problemen of aan de stoornissen verwante problemen in voldoende mate kan wegnemen;
de jeugdige geen ingezetene is van de gemeente Leidschendam-Voorburg, volgens het woonplaatsbeginsel.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 3.1
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020