Mobiliteitsmanagement is een verzamelnaam voor inspanningen om de mobiliteitskeuzes van individuen te beïnvloeden. In Nederland wordt hier meer in het bijzonder bedoeld het stimuleren van het gebruik van alternatieven voor de auto door werknemers. Het gaat hierbij om het organiseren van slim werken en slim reizen. Hieronder worden allerlei alternatieven van solistisch autogebruik (tijdens de spits) verstaan, zoals carpoolen, deels of volledig gebruik van openbaar vervoer, thuiswerken, telewerk, fietsen.
Bouwplannen die gepaard gaan met een relatief hoog fietsgebruik en daarmee voorzien in een hogere fiets-parkeernorm kunnen een reductie krijgen op de toe te passen parkeernorm voor auto’s. De mate van de reductie is locatie- en situatieafhankelijk. Het college bepaalt of de ingediende onderbouwing van de aangedragen afwijking op de toe te passen parkeernorm en/of aanwezigheidspercentages volledig en juist is. In een mobiliteitsplan kan bijvoorbeeld een onderbouwing staan voor een nieuw kantoor, waar een aanzienlijk aantal werknemers niet met de auto zal komen. Dit dient echter gedegen onderbouwd te worden. Hieronder volgen enkele voorbeelden van een dergelijke onderbouwing:
De functie die gerealiseerd wordt, is niet als zodanig beschreven in de CROW-kengetallen voor parkeren. De standaardfuncties en aanwezigheidspercentages uit de Kadernota zijn niet toereikend voor de parkeeropgave;
Een referentie naar een vergelijkbaar project, waarin soortgelijke maatregelen zijn getroffen in het mobiliteitsplan. Denk hierbij aan de inzet van deelauto’s;
Cijfermatige onderbouwing van het fietsgebruik op locatie;
Cijfermatige onderbouwing van de concurrentiepositie van het OV ten opzichte van de auto.
Arbeidsvoorwaarden/reiskostenregeling die voorziet in het financieel aantrekkelijk maken van het gebruik van de fiets of het openbaar vervoer.
Het beschikbaar stellen van een abonnement voor het openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer.
Actieve deelname aan het lokaal of regionaal programma Mobiliteitsmanagement.
Bij het toepassen van een reductiefactor als gevolg van mobiliteitsmanagement is er sprake van duidelijke, bewezen en realistische maatregelen. De aanvrager moet dit zelf aantonen. De reductie bedraagt maximaal 50% van de parkeereis voor werknemers als er sprake is van aantoonbaar structureel lager autogebruik.
Rekenvoorbeeld 5: bepaling parkeereis met mobiliteitsplan
In het centrum van Dalfsen worden 10 starterswoningen (categorie koopappartement goedkoop) ontwikkelt door middel van de bouw van een appartementencomplex.
Voor de 10 starterwoningen dient volgens de CROW-kengetallen in bijlage II een parkeernorm van 0,9 parkeerplaatsen per woning te worden toegepast. Aangezien er geen sprake van dubbelgebruik is komt de parkeereis gelijk uit met de normatieve parkeerbehoefte, namelijk 9 parkeerplaatsen: (0,9 * 10)= 9 pp. Op het eigen terrein is momenteel ruimte voor 6 voertuigen. Dit maakt de op te lossen parkeereis 3 voertuigen.
De doelgroep voor deze woningen zijn jonge gezinnen met een hoog animo voor deelauto’s. Daarom zal op eigen terrein 1 deelauto geplaatst worden. Een klassieke deelauto (zoals Greenwheels) kan ongeveer de parkeerdruk verlagen met 3 tot 5 auto’s. Daarnaast is er ook nog een niet waarneembaar effect, namelijk dat mensen geen tweede auto aanschaffen. Uitgaande van een “worst case” scenario, zal de klassieke deelauto de parkeerdruk kunnen verlagen met 2 auto’s. Hiermee komt de resterende parkeereis uit op 1 voertuig.
Het laatste voertuig zal niet geparkeerd kunnen worden op eigen terrein en zal daarom een plek moeten krijgen in de openbare ruimte, mits beschikbaar.