Elk raadslid kan, individueel of samen met een of meerdere raadsleden, schriftelijke vragen stellen aan het college.
Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.
De vragen worden via de griffier bij de raadsvoorzitter ingediend. De griffier draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden, burgerleden en het college worden gebracht.
Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig kalenderdagen, nadat de vragen bij de griffier zijn binnengekomen.
Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende vergadering van Het Debat.
Indien beantwoording niet binnen de in lid 4 en lid 5 genoemde termijnen kan plaatsvinden, stelt het college de vragensteller, alsmede de overige raadsleden hiervan via de griffier gemotiveerd schriftelijk in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.
De antwoorden worden door het college via de griffier aan de raadsleden medegedeeld.
De vragen en antwoorden worden als ingekomen stuk vermeld op de lijst als bedoeld in artikel 11 van dit reglement.
De vragensteller kan bij mondelinge beantwoording in dezelfde vergadering van Het Debat nadere inlichtingen vragen omtrent het door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.
De vragensteller kan, na schriftelijke beantwoording, de agendacommissie verzoeken een agendapunt op de concept-agenda van Het Debat te plaatsen waarin nadere inlichtingen gevraagd kunnen worden omtrent het door het college gegeven antwoord.
De andere raadsleden kunnen het woord voeren om de vragensteller(s) en/of een lid van het college vragen te stellen over hetzelfde onderwerp zoals beschreven in de leden 9 en 10.
Hoofdstuk 1
Artikel 12