Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 13.

Artikel 13.1

Verlengde pleegzorg

Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp gemeente Emmen 2020

Het Rijk (VWS), de VNG en Jeugdzorg Nederland hebben middels een bestuurlijke afspraak afgesproken dat pleegzorg vanaf 1 juli 2018 standaard tot 21 jaar wordt ingezet. Er is afgestapt van het ‘nee tenzij systeem’, waarbij moet worden aangetoond dat pleegzorg vanaf het 18e jaar noodzakelijk is, en overgestapt op een ‘ja tenzij systeem’. Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e jaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen. 70NJi en Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen. “Pleegzorg na 18 jaar.” 2018. Geraadpleegd 19 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Publicatie-NJi/Pleegzorg-na-18-jaar.pdf Of tenzij de rechter anders heeft beslist. BIJLAGE 1.Richtlijnen gebruikelijke hulp Algemeen kader gebruikelijke hulp Voor zover het gebruikelijk is dat ouders aan hun kinderen bepaalde hulp bieden, is de jeugdige ook niet aangewezen op hulp-op-maat op basis van de Jeugdwet. Het onderzoek door het De Toegang naar de aanspraak op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet richt zich allereerst op het bepalen van de stoornissen en beperkingen die voortkomen uit een aandoening. Vervolgens wordt beoordeeld: Welk deel van de benodigde hulp voortkomt uit de aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige; Welk deel van deze hulp onder de gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdige valt. Er is sprake van boven gebruikelijke hulp, als de voor de jeugdige noodzakelijke hulp in chronische situaties uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen. Van een chronische situatie is sprake wanneer er geen uitzicht is op een herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige binnen een periode van drie maanden. Voor situaties korter dan drie maanden geldt dat alle hulp door de ouder aan de jeugdige gebruikelijke hulp is. Welke hulp binnen welke leeftijdscategorie aangemerkt moet worden als gebruikelijke hulp is nader uitgewerkt in § 1.1 van deze bijlage. Slechts voor het deel van de benodigde hulp dat voortkomt uit de aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige, kan, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan, een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet worden toegekend. In § 1.2 van deze bijlage zijn enkele voorbeelden opgenomen van wat in bijzondere situaties moet worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Algemene uitzonderingen gebruikelijke hulp Voor zover een ouder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van jeugdige uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hem of haar met inachtneming van deze omstandigheden geen of een verminderde bijdrage verwacht. Deze uitzondering geldt alleen voor zover het handelingen betreft die bij een jeugdige zonder beperkingen niet voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van sondevoeding of medicijnen. Voor zover een ouder overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: Wanneer er voor de ouder eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Voor zover gebruikelijke hulp bij jeugdigen van niet uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van de jeugdige, kan hiervoor een individuele voorziening worden toegekend. Indiceren gebruikelijke hulp bij (dreigende) overbelasting Wanneer door de gemeente reeds hulp-op-maat in het kader van de Jeugdwet is verstrekt, kan de zorg voor een zieke jeugdige niettemin zo zwaar worden dat van (dreigende) overbelasting sprake is. De beoordeling of sprake is van (dreigende overbelasting) is nader uitgewerkt in § 1.3 van deze bijlage. In de meeste gevallen zal de individuele voorziening die is toegekend op zich voldoende zijn om deze overbelasting te voorkomen, maar soms blijkt deze toch niet voldoende. In zulke gevallen kan de situatie opnieuw beoordeeld worden en zo nodig leiden tot een gewijzigd toekenningsbesluit, waarbij toekenning/uitbreiding van een individuele voorziening mogelijk is voor hulp die gewoonlijk als gebruikelijke hulp dient te worden aangemerkt. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk. § 1.1 Richtlijnen gebruikelijke hulp Algemene richtlijnen per leeftijdscategorie Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van de jeugdige in relatie tot hulp-op-maat op grond van de Jeugdwet. Jeugdigen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Jeugdigen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Jeugdigen van 5 tot 12 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Jeugdigen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 18 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties. Voor jongvolwassenen geldt dat alle hulp die door de ouders geboden wordt aangemerkt dient te worden als boven gebruikelijke hulp. Aanvullingen Gebruikelijke hulp omvat eveneens: Handelingen die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, maar die een gebruikelijke hulphandeling vervangen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het geven van sondevoeding in plaats van eten; het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. Handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen. Ook zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een jeugdige, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Bijvoorbeeld het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking. Handelingen die een jeugdige zelf kan uitvoeren dan wel kan aanleren; Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de jeugdige; Uitzonderingen Bij de individuele beoordeling wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Veel jeugdigen van 4 jaar zijn bijvoorbeeld overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een jeugdige van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Verder wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige. Ook de omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is. Voorbeeld: alle jeugdigen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien. Beoordeling in samenhang Het uitgangspunt van de richtlijn is de hulp die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan jeugdigen zonder beperkingen, rekening houdend met verschillen die bij jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. De hierboven genoemde richtlijnen en aanvullingen/uitzonderingen daarop moeten daarom telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van de jeugdige worden beoordeeld: Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een jeugdige van een bepaalde leeftijdsgroep gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie) waardoor deze hulp niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt. Zo kan bij een jeugdige van een bepaalde leeftijd dat is aangewezen op handelingen die niet bij alle gezonde jeugdigen voorkomen en die kunnen meelopen in het gebruikelijke patroon van dagelijkse verzorging, niet langer sprake zijn van gebruikelijke hulp vanwege de (extra) tijd die met deze zorghandelingen gemoeid gaat. Een concrete uitwerking: het geven van medicatie (aard) bij een jeugdige van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke hulp. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon en moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke hulp te beschouwen. § 1.2 Voorbeelden gebruikelijke hulp voor specifieke zorgfuncties Persoonlijke verzorging tijdens kinderopvang De opvang/zorg die instanties voor kinderopvang plegen te bieden is gebruikelijke hulp. Alleen voor de hulp die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg zoals instanties voor kinderopvang die plegen te bieden, is er aanspraak op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De niet-uitstelbare persoonlijke verzorging en verpleging kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden. Persoonlijke verzorging tijdens onderwijs De school biedt gangbare en normale dagelijkse hulp, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse hulp kan geen hulp-op-maat worden ingezet. Gedurende de tijd dat een jeugdige de school bezoekt, is er voor de niet-uitstelbare hulp geen verplichting voor de ouders om deze gebruikelijke hulp op school te leveren. Deze hulp kan dus worden toegekend. De Begeleiding naar het ziekenhuis Als een jeugdige vanwege bijvoorbeeld nierdialyse meerdere keren per week naar het ziekenhuis moet, is het gebruikelijk dat een ouder meegaat. Begeleiding naar zwemles Het is gebruikelijk dat ouders meegaan naar zwemles. Begeleiding tijdens kinderopvang Wanneer ouders werken, zijn/blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van de jeugdige. De Begeleiding die buiten dit werk/onderwijs om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken/onderwijs volgen niet worden toegekend. Wanneer sprake is van boven gebruikelijke Begeleiding, wordt de omvang van de boven gebruikelijke Begeleiding vastgesteld over het hele etmaal/zeven dagen per week. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken/onderwijs volgen. Ouders kunnen de keuze maken wanneer zij de uren die voor bekostiging op grond van de Jeugdwet in aanmerking komen inzetten, thuis of tijdens de kinderopvang. § 1.3 Beoordelingskader (dreigende) overbelasting Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de ouder zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de problematiek van de jeugdige (draaglast verhoging). Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare zorgtaken, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te leveren is van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke hulpverlener. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke hulpverlener noodzakelijk is. Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals: angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen; depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid; gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag; gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag; lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand aan de jeugdige biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Steeds zal daarom in het besluit worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. BIJLAGE 2.Stroomschema zorg op school Wie er onderwijsondersteuning of zorg moet bieden tijdens onderwijstijd, hangt af van de ondersteunings- en/of zorgbehoefte van de leerling. Met de invoering van passend onderwijs hebben scholen zorgplicht. Dat betekent dat de school waar ouders hun zoon of dochter schriftelijk hebben aangemeld verplicht is om een passende plek te bieden als het kind extra onderwijsondersteuning nodig heef. Soms is er naast onderwijsondersteuning ook extra zorg op school nodig. In onderstaand schema 73Rijksoverheid. “Stroomschema zorg op school,” geraadpleegd 7 november 2019via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2018/07/26/passend-onderwijs-en-zorg-stroomschema-zorg-op-school. zijn de verschillende vormen beschreven. Zorg tijdens onderwijsuren, zoals begeleiding, persoonlijke verzorging en/of verpleging, wordt vergoed op basis van de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De mogelijkheid bestaat dat meerdere zorgweten van toepassing zijn. Zo kan een leerling begeleiding en persoonlijke verzorging vanuit de Jeugdwet ontvangen en verpleging vanuit de Zvw. In dat geval kan er sprake zijn van twee verschillende PGB’s. Binnen een zorgwet is verder zowel zorg in natura, een PGB als een combinatie van beide mogelijk. In onderstaand schema is per zorgwet aangegeven welke mogelijkheden er zijn en hoe de inzet van zorg in onderwijs wordt geregeld en verantwoord. Hoewel de zorg en ondersteuning van een leerling soms vanuit verschillende systemen worden geleverd, komen deze samen in de gezamenlijke aanpak van zorg- en onderwijspartners. Zij bekijken samen met ouders en leerling wat er nodig is en wie welke ondersteuning of zorg kan bieden. Ouders kunnen voor informatie en advies ook altijd een beroep doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Elke gemeente biedt deze cliëntondersteuning aan. Toelichting op het stroomschema zorg op school Wet langdurige zorg Doelgroep en zorgbehoefte: kinderen die vanwege zorg in verband met een meervoudige verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke beperking blijvend (voor de rest van hun leven) behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid (anders dan gebruikelijke zorg). Zorgaanbod: Wlz-zorg kan zowel thuis geleverd worden, door één of meer professionele zorgaanbieders, als in een instelling of op school. Het Centrum Indicatiestelling Zorg indiceert. Het zorgkantoor heef voor cliënten met een Wlz-indicatie in zijn regio vervolgens zorgplicht. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor inkoop van Wlz-zorg van voldoende kwaliteit en is ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van cliënten met een Wlz-indicatie als het gaat om hun toeleiding naar Wlz-zorg. Voor het kind wordt een zorgplan opgesteld. Een zorgplanbespreking tussen zorgaanbieder en ouders is daarbij verplicht. Indien een kind ook zorg op school nodig heef, wordt ook het onderwijs betrokken. Het zorgplan is de uitkomst van dat wat door partijen besproken is. Zorgvorm: Wlz-zorg kent verschillende leveringsvormen: zorg in natura met verblijf in een instelling (ZIN), zorg in natura thuis (VPT: volledig pak ket thuis), persoonsgebonden budget (PGB) of een combinatie van PGB en zorg in natura (modulair pakket thuis: MPT). Inzet op school: als een kind voorheen nog geen onderwijs volgde en nu wel naar school gaat, kan de zorgbehoefte veranderen. Bijvoorbeeld omdat er eerst sprake was van zorg door ouders/mantelzorgers en de zorg op school door een externe wordt geboden, of omdat een school voor speciaal onderwijs zelf een verpleegkundige in dienst heef. Een Wlz-indicatie is weliswaar voor onbepaalde tijd, maar hoef daarmee niet ook constant te zijn. Het verdient aanbeveling om bij het opstellen van het zorgplan en/of de evaluatiemomenten al rekening te houden met het (gaan) volgen van onderwijs en de eventuele consequenties die dit kan hebben voor de zorgvraag en –inzet. Als een deel van het trekkingsrecht PGB wordt ingezet voor Wlz-zorg op school betekent dit dat de budgethouder of diens vertegenwoordiger (een ouder) een contract heef met een Wlz-zorgaanbieder die op school Wlz-zorg levert. Er kan ook gebruik worden gemaakt van een zorgaanbieder waar de school zelf al afspraken mee heef. Verantwoording: het deel van het trekkingsrecht PGB vanuit de Wlz dat wordt ingezet op school loopt mee in de wijze van verantwoording die geldt binnen de Wlz voor het gehele PGB. Meer informatie: www.ciz.nl Intensieve Kind Zorg (Zorgverzekeringswet)74Bedoeld wordt: Kinderen met een intensieve zorgvraag; zie ook H6.1 van deze beleidsregels. Deze zorg werd tot 2018 geduid met de term ‘intensieve kindzorg’ (IKZ). Het criterium voor IKZ is per 1 januari 2018 afgeschaft. Doelgroep en zorgbehoefte: Kinderen met zwaar complexe somatische problematiek met een behoef aan permanent toezicht. Kinderen met lichtere complexe problematiek, waarbij 24-uur zorg per dag in de nabijheid nodig is, in combinatie met specifieke verpleegkundige handelingen zoals intraveneuze medicatietoediening. Zorg aan minderjarigen met ernstige medische problematiek die onder de verantwoordelijkheid staan van een medisch specialist of kinderarts. Belangrijkste onderscheid tussen Wlz en IKZ is dat kinderen in de Wlz naast de behoefte aan intensieve medische zorg, levenslang en levensbreed op zorg aangewezen zijn vanwege hun ernstige verstandelijke beperking. Zorgaanbod: voor intensieve kindzorg geldt dat naast verpleging en daarmee samenhangende verzorging ook begeleiding thuis, verblijf in een kinderhospice, kortdurend verblijf en opvang in een verpleegkundig kinderdagverblijf inclusief het vervoer van en naar dit dagverblijf onder de Zvw-aanspraak vallen. Door de Nederlandse Zorgautoriteit zijn alleen de prestaties verpleging en verzorging beschreven. Voor de intensieve kindzorg is specifiek geregeld dat naast de verpleging ook de persoonlijke verzorging en de begeleiding in de thuissituatie vanuit de Zvw kan worden geleverd. Ook kortdurend verblijf valt voor deze kinderen onder de Zvw omdat het toezicht dat deze kinderen nodig hebben op het niveau van een verpleegkundige moet worden geboden. Vanaf 2016 valt het vervoer van en naar een verpleegkundig kinderdagverblijf onder de aanspraak op zittend ziekenvervoer in de Zvw. Gemeenten zijn dus te allen tijde verantwoordelijk voor het leerlingenvervoer van en naar school. Zorgvorm: Zorg in Natura of PGB. Inzet op school: in het kader van intensieve kindzorg worden verpleging, daarmee samenhangende verzorging en begeleiding ook geleverd op school. Vaak wordt deze zorg geleverd door een kinderverpleegkundige. Afspraken over de inzet van zorg in onderwijstijd worden vastgelegd in het zorgplan IKZ. Net als in de Wlz, verdient het aanbeveling o m bij het opstellen van het zorgplan en/of de evaluatiemomenten al rekening te houden met het (gaan) volgen van onderwijs en de eventuele consequenties die dit kan hebben voor de zorgvraag en –inzet. Verantwoording: de zorgverzekeraar bepaalt op welke wijze verantwoording van het PGB plaatsvindt. Meer informatie:www.regelhulp.nl en www.hoeverandertmijnzorg.nl Overige zorg uit de Zorgverzekeringswet Indien er geen sprake is van IKZ, maar wel van verpleging valt ook dit onder de Zvw. Als verpleging en daarmee samenhangende persoonlijke verzorging samen worden aangeboden, vallen beiden onder de Zvw. Als verpleging wordt aangeboden met begeleiding komt de zorg uit twee weten: verpleging valt onder de Zvw en de begeleiding valt onder de Jeugdwet. Jeugdwet Doelgroep en zorgbehoefte: kinderen van 0 tot 18 jaar die hulp nodig hebben bij opvoed- en/of opgroeiproblemen en die begeleiding en/of persoonlijke verzorging op school nodig hebben. Bij persoonlijke verzorging kan worden gedacht aan hulp bij het opstaan, wassen, aankleden en toiletbezoek. Begeleiding is hulp in het dagelijks leven om zo zelfstandig mogelijk te kunnen leven. Daarbij valt te denken aan hulp bij praktische zaken, bij communicatie en dagopvang. Onder de Jeugdwet vallen ook de behandeling van psychische problemen en ernstige enkelvoudige dyslexie. Toegang tot de voorzieningen vanuit de Jeugdwet verloopt via een sociaal wijkteam of een jeugdteam. De huisarts, jeugdarts en medisch specialist kunnen ook verwijzen naar jeugdhulp. Zorgaanbod: ondersteuning van en hulp en zorg bij opvoed- en opgroeiproblemen, psychische hulp of behandeling, begeleiding of persoonlijke verzorging i.v.m. een somatische aandoening, een verstandelijke, lichamelijke, of zintuiglijke beperking. Zorgvorm: zorg in natura of een PGB. Inzet op school: de gemeente is vanuit de Jeugdwet verantwoordelijk voor de bekostiging van begeleiding en persoonlijke verzorging op school. De gemeente maakt over de invulling van begeleiding en persoonlijke verzorging afspraken met het betrokken samenwerkingsverband. Ouders, school en gemeente maken afspraken over individuele voorzieningen voor een kind op school. Verantwoording: de gemeente bepaalt hoe er over de inzet van middelen verantwoording wordt afgelegd. Meer informatie:www.regelhulp.nl en www.hoeverandertmijnzorg.nl Passend onderwijs Doelgroep en zorgbehoefte: Alle leerlingen die extra onderwijsondersteuning nodig hebben, zowel als er sprake is van een lichte als van een zware ondersteuningsbehoefte. Ondersteunings- en zorgaanbod: Scholen bieden extra onderwijsondersteuning. Het gaat dan om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan ondersteuning van de leraar of een (tijdelijke) plaats voor de leerling in een bovenschoolse voorziening, het speciaal basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs . In het (voortgezet) speciaal onderwijs is expertise beschikbaar voor de specifieke doelgroep van de school. Dit betekent dat een school voor langdurig zieke leerlingen vaak ook enkele zorgvoorzieningen beschikbaar heef. Een school voor kinderen met gedragsproblematiek zal in veel mindere mate zorg op school aanbieden. Zorgvorm: binnen passend onderwijs is er geen sprake van een persoonsgebonden budget voor ouders. Scholen maken binnen het samenwerkingsverband passend onderwijs afspraken over de inzet van de middelen voor extra ondersteuning. Deze wordt altijd in natura geboden. Inzet op school: Voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, stelt de school een ontwikkelingsperspectief op. Hierin staan de onderwijsdoelen en -ondersteuning beschreven. De school voert hierover overleg met de ouders en waar mogelijk de leerling zelf. Verantwoording: Het samenwerkingsverband legt verantwoording over de besteding van middelen voor extra ondersteuning af in het jaarverslag. Meer informatie:www.passendonderwijs.nl en https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs (link naar gesprekshandleiding) Tips https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs www.raadpleeg.org over aanpak pleegkinderen/hechtingsproblematiek ook in de klas. https://www.informatielangdurigezorg.nl/jeugd/school > ook informatie over kinderen zonder Wlz-indicatie www.duo.nl/zakelijk/instellingsinformatie >voor beschikbare middelen per schoolbestuur/samenwerkingsverband Screen hoogbegaafden! Zij lopen op VO vaak vast rondom dyslexie. Vroegsignalering bij groep 1, 2 – observeren in de klas, niet direct diagnose, voor passende handvatten. IB’ers (individueel begeleiders) ondersteunen door consulenten jeugdhulp o.i.d. Op school zorg anders organiseren zodat er minder hulpverleners rondlopen. Bijvoorbeeld jeugdhulpverlener op school tijdens pauzemomenten als vraagbaak voor leraren. Voor organisatie zorg advies teams voorbeelden in den lande bekijken, bijvoorbeeld werkwijze oost-Achterhoek. Verpleegkundige GGD rol bij ziekmeldingen. Maak als gemeente afspraken maken met je contractpartners over de informatievoorziening richting ouders over huiswerkbegeleiding en de (on)mogelijkheden van vergoeding hiervan. Ga in gesprek met scholen over problemen van jeugdigen bij het structureren en plannen van huiswerk (wat bij veel pubers speelt). Bekijk de sites van de samenwerkingsverbanden, zowel van het voortgezet als primair onderwijs. Bijvoorbeeld: http://vo2203.nl/website/home of http://www.po2203.nl/website/home Investeer in inzet POH jeugd 75Bedoeld wordt de HAO’er, zie H2.1.1.1 van deze beleidsregels. bij de huisartsen. Veel verwijzingen verlopen via de huisartsen en zij hebben onvoldoende kennis over welke ondersteuning onder (passend) onderwijs valt en welke onder de Jeugdwet. BIJLAGE 3.COA-Gezinslocatie Emmen Samenvatting Emmen heeft een gezinslocatie. Op een gezinslocatie zijn gezinnen gehuisvest die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. (In een azc daarentegen verblijven zowel verblijfsgerechtigden die in afwachting zijn van een woning als asielzoekers die in de verlengde procedure zitten.) Asielprocedure algemeen Asielzoekers hebben bij aankomst in Nederland recht op opvang vanaf het moment dat ze asiel aanvragen totdat ze een verblijfsvergunning hebben of Nederland moeten verlaten. Het COA vangt hen op in opvangcentra, biedt basisvoorzieningen en begeleidt hen naar hun toekomst in Nederland of daarbuiten. Uitstroom naar een gemeente Asielzoekers met de vluchtelingenstatus krijgen een verblijfsvergunning voor 5 jaar. Zij zijn dan ‘vergunninghouder’ of ‘statushouder’. Het COA koppelt hen aan een gemeente in de buurt van het azc. Die gemeente zorgt voor woonruimte. Tot die tijd hebben vergunninghouders recht op opvang door het COA en kunnen ze in het azc verblijven. Vertrek uit Nederland Vreemdelingen die na het doorlopen van de procedure niet in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus hebben nog maximaal 28 dagen recht op opvang in een azc. In deze weken kunnen ze hun vertrek uit Nederland voorbereiden. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en het COA ondersteunen hen hierbij. Lees meer over de rol van het COA bij terugkeer. Als het nodig is, kunnen vreemdelingen na de vertrektermijn nog maximaal 12 weken naar een vrijheid beperkende locatie. Op die locatie is de begeleiding van de bewoners gericht op terugkeer. Na de vertrektermijn worden de verstrekkingen stopgezet en de opvang beëindigd. Als vreemdelingen weigeren de opvang te verlaten, kan het COA de Vreemdelingenpolitie (AVIM) vragen tot ontruiming over te gaan. Het is mogelijk dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld. Dit gebeurt als de vreemdeling niet wil meewerken aan zijn vertrek uit Nederland, terwijl de DT&V de vreemdeling wel op korte termijn kan en mag uitzetten. Het komt ook voor dat een vreemdeling die niet wil meewerken aan zijn vertrek zich onttrekt aan het toezicht. Hij vertrekt dan ‘met onbekende bestemming’ (MOB) uit de opvang en zijn verblijfplaats is onbekend. Gezinnen met minderjarige kinderen Gezinnen met minderjarige kinderen mogen in principe niet dakloos worden. Als zij geen recht meer hebben op opvang, worden ze vanuit het azc overgeplaatst naar een gezinslocatie. Op een gezinslocatie geldt een sober voorzieningenniveau. De begeleiding is volledig gericht op terugkeer. Gezinnen worden (wel) dakloos als ze het aangeboden onderdak in een gezinslocatie weigeren. Kinderen onder de 18 jaar behouden ook na afwijzing van de asielaanvraag recht op onderdak. Uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen worden daarom na de wettelijke vertrektermijn overgeplaatst naar een gezinslocatie. Deze locaties hebben een sober voorzieningenniveau, waarbij volwassenen uitsluitend eetgeld krijgen. Voor volwassenen gelden bovendien vrijheid beperkende maatregelen. Zo zijn zij verplicht binnen de gemeentegrens te blijven en hebben zij 5 keer per week meldplicht. Voor de kinderen zijn er dezelfde voorzieningen als op andere opvanglocaties. Zij gaan dus ook gewoon naar school. De begeleiding op deze locaties is gericht op vertrek uit Nederland. Vanaf het moment dat het kind meerderjarig is, is er geen recht meer op onderdak. Het vertrek van het gezin uit Nederland zal in de regel plaatsvinden vóór het kind meerderjarig is. Minderjarige vreemdelingen algemeen Kinderen onder de 18 jaar behouden ook na afwijzing van de asielaanvraag recht op onderdak. Uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen worden daarom na de wettelijke vertrektermijn overgeplaatst naar een gezinslocatie. Deze locaties hebben een sober voorzieningenniveau, waarbij volwassenen uitsluitend eetgeld krijgen. Voor volwassenen gelden bovendien vrijheid beperkende maatregelen. Zo zijn zij verplicht binnen de gemeentegrens te blijven en hebben zij 5 keer per week meldplicht. Voor de kinderen zijn er dezelfde voorzieningen als op andere opvanglocaties. Zij gaan dus ook gewoon naar school. De begeleiding op deze locaties is gericht op vertrek uit Nederland. Vanaf het moment dat het kind meerderjarig is, is er geen recht meer op onderdak. Het vertrek van het gezin uit Nederland zal in de regel plaatsvinden vóór het kind meerderjarig is. Jeugdhulp aan vreemdelingen Alle kinderen in Nederland hebben recht op bescherming, hulp, begeleiding en zorg. Dat vloeit voort uit het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Ook 'illegale' kinderen hebben dus recht op jeugdhulp. In Nederland geldt sinds 1998 het zogenoemde koppelingsbeginsel, waarin het recht op sociale voorzieningen wordt gekoppeld aan het hebben van een verblijfsstatus. Vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel hebben op grond van dit beginsel slechts beperkte toegang tot sociale voorzieningen. Zij hebben alleen recht op onderwijs, rechtsbijstand en noodzakelijke medische zorg. Rekening houdend met dit koppelingsbeginsel is in de jeugdwetgeving bepaald dat de voorzieningen van de Jeugdwet beschikbaar zijn voor alle in Nederland verblijvende minderjarigen, ongeacht hun verblijfstatus. BIJLAGE 4.Stappenplan woonplaatsbeginsel (VNG, 2016) 76VNG. “Stappenplan verantwoordelijke gemeente.” Geraadpleegd 7 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/201707_mindmap_stappenplan_bepaling_gemeente_woonplaatsbeginsel.pdf BIJLAGE 5.Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente – pleegzorgaanbieders, § 2 De richtlijn in stappen77NB. De termijnen worden vermeld in kalenderdagen.78VNG. “Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente – pleegzorgaanbieders,” april 2016: 5–9. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/20160425_richtlijn_netwerkpleegzorg.pdf. De richtlijn in stappen. Stap 1: Veiligheidstoets binnen 7 dagen na melding bij de gemeente van een voldongen feit netwerkplaatsing c.q. na realisatie van de door de gemeente voorbereide plaatsing met een acuut karakter. Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 7 dagen na melding bij de gemeente van netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de gemeente voorbereide plaatsing met een acuut karakter, vindt een door de gemeente uitgevoerde veiligheidstoets plaats op grond van een risicotaxatie van en huisbezoek aan het netwerkgezin. Bij twijfel, bijvoorbeeld over de veiligheid, kan de jeugdige niet in het netwerkgezin blijven en moet een alternatief worden gezocht, afhankelijk van de problematiek en de situatie. Hierover wordt door de gemeente mededeling gedaan aan het netwerkgezin en de ouders, zijn de vervolgstappen van deze richtlijn niet meer van toepassing en zal geen recht op pleegvergoeding ontstaan. Wanneer de gemeente met behulp van de tot haar beschikking staande middelen c.q. instrumenten het verblijf per definitie als onvoldoende veilig of ongeschikt beoordeelt, bekijkt de gemeente of en zo ja welke stappen er verder noodzakelijkzijn. Toelichting Uitgangspunt in deze richtlijn is dat er altijd een veiligheidstoets plaatsvindt, ongeacht of de gemeente met de netwerkplaatsing voor een voldongen feit wordt gesteld (niet betrokken was bij de plaatsing) of dat het gaat om acute realisatie van een plaatsing die vanuit de gemeente reeds in voorbereiding was. Als er geen sprake is van een crisissituatie of een reeds gerealiseerde plaatsing in een nog niet gescreend netwerkgezin, dan worden zoveel als mogelijk de normale wettelijke termijnen voor beoordeling van de wenselijkheid van de uithuisplaatsing en screening van de veiligheid in het netwerkgezin in acht genomen, voordat tot plaatsing en betaling kan worden overgegaan. Stap2: Inhoudelijke beoordeling aanspraak op jeugdhulp verblijf bij een pleegouder binnen 7 tot 14 dagen na melding bij de gemeente van de gerealiseerde netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de gemeente voorbereide plaatsing met een acuut karakter. Als na een inhoudelijke beoordeling blijkt dat er geen sprake is van opgroei- en opvoedingsproblematiek die uithuisplaatsing noodzakelijk maakt en de jeugdige terug naar huis zou kunnen of op een andere wijze binnen het netwerk geholpen kan worden, dan wordt geen beschikking jeugdhulp afgegeven en daarmee is formalisering en financiering van de netwerkplaatsing niet aan de orde. Kiezen de ouders ervoor om het verblijf van de jeugdige in het netwerk voort te zetten, dan zijn zij daarvoor ook financieel verantwoordelijk. De gemeente kan, in samenspraak met het gezin, zo nodig alternatieven onderzoeken. De gemeente deelt het besluit om wel of geen verleningsbeschikking jeugdhulp af te geven uiterlijk binnen 14 dagen na de melding mee aan het netwerkgezin en aan de ouders. Afgifte van een beschikking jeugdhulp en financiering van de plaatsing is dus geen automatisme. Deze richtlijn en de genoemde termijnen zijn dan verder niet van toepassing op de situatie, ook als de situatie bij de netwerkouders in principe in de vorige fase als veilig is beoordeeld. Als de gemeente het netwerkgezin na de inhoudelijke beoordeling als voldoende veilig heeft beoordeeld en als er volgens de gemeente sprake is van zodanige problematiek dat een (tijdelijke) uithuisplaatsing noodzakelijk is, zal de gemeente indien mogelijk binnen 7 maar uiterlijk binnen 14 dagen na de melding van de gerealiseerde netwerkopvang een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgeven. Deze beschikking wordt, vergezeld van het dossier, waarin onder andere de uitkomsten van de veiligheidstoets zijn opgenomen, binnen deze 14 dagen doorgestuurd naar de pleegzorgaanbieder voor het opstellen van een pleegcontract. Gelijktijdig wordt door de gemeente bij de pleegzorgaanbieder een verzoek gedaan voor het opnemen van de begeleiding van het netwerkgezin en het starten van het netwerkonderzoek. Toelichting Naast de bij stap 1 beschreven toets op veiligheid, moet de gemeente beoordelen of de inzet van jeugdhulp echt noodzakelijk is. Jeugdhulp is ondersteuning of hulp bij (dreigende) opgroei- en opvoedingsproblemen. Om een hulpvraag te kunnen vertalen naar een besluit tot afgifte van een verleningsbeschikking moet dus sprake zijn van (dreiging van) opgroei- en opvoedingsproblemen. Op het moment dat een jeugdige, een netwerkgezin of ouders zich melden bij de gemeente met de mededeling dat de jeugdige in het gezin van een bekende wordt opgevangen, kan sprake zijn van een urgente situatie die een spoedige beslissing vraagt. Ook voor zo’n spoedige beslissing is de gemeente gehouden om die zorgvuldig te nemen. In overleg met de ouders volgt de gemeente volgens deze richtlijn netwerkpleegzorg een versnelde procedure om binnen 14 dagen te bepalen of de problemen van dien aard zijn, dat een uithuisplaatsing aangewezen is omdat er geen alternatieven zijn. Vervolgens moet bepaald worden of die uithuisplaatsing het beste in het aangemelde netwerkgezin kan gebeuren. Als het onderzoek uitwijst dat de vraag alleen (tijdelijke) huisvesting/opvang van het kind betreft en de gemeente komt tot de conclusie dat een formele uithuisplaatsing niet nodig is, dan geeft zij geen verleningsbeschikking jeugdhulp voorpleegzorg af. Dit betekent dat de jeugdige dan ofwel naar huis terug kan of met instemming en onder (ook financiële) verantwoordelijkheid van ouders in het netwerkgezin blijft. Als de gemeente op basis van onderzoek concludeert dat uithuisplaatsing noodzakelijk is, geeft zij daartoe een verleningsbeschikking af. De gemeente stuurt vervolgens de volledig ingevulde verleningsbeschikking naar de pleegzorgaanbieder, vergezeld van het dossier van de jeugdige. Hierin zijn in ieder geval de uitkomsten van de veiligheidstoets opgenomen, zowel de weging als de conclusies. Daarnaast bevat het dossier alle voor de pleegzorgaanbieder noodzakelijke informatie zoals aanleiding en motivatie voor besluitvorming, informatie over eventuele voorafgaande hulpverlening en praktische informatie zoals (adres)gegevens van ouders en netwerkgezin en de BRP-gegevens van de jeugdige. Zonder deze informatie - verleningsbeschikking en dossier – kan de overdracht naar de pleegzorgaanbieder niet plaatsvinden en kan niet worden overgegaan tot stap 3 van dit protocol. Stap 3: Overdracht van begeleiding netwerkgezin en verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de jeugdige van de gemeente aan de pleegzorgaanbieder; Opstellen en ondertekenen pleegcontract door de pleegzorgaanbieder; Start netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder; Start begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder aan netwerkgezin. 79Vanaf het moment dat de pleegzorgaanbieder een pleegcontract sluit met het netwerkgezin en het netwerkonderzoek start, wordthet netwerkgezin in de praktijk aangeduid als aspirant netwerkpleegouders. Omwille van de leesbaarheid wordt in dit protocol ookin die fase gebruik gemaakt van de term netwerkgezin. Binnen 7 dagen na stap 2 (is binnen 3 weken na start bij de gemeente) vindt een warme overdracht plaats op basis van tenminste telefonisch contact. Het dossier is dan reeds overgedragen. Vanaf dat moment is de Pleegzorgaanbieder verantwoordelijk voor de veiligheid van de jeugdige in het netwerkgezin. Zij stelt zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen 7 dagen na stap 2, een pleegcontract op. Zodra het pleegcontract door het netwerkgezin is ondertekend, start het netwerkonderzoek en de begeleiding van het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder. Vanaf de datum van ondertekening van het pleegcontract start ook het recht op de financiering (de pleegvergoeding). Dit recht werkt terug tot de datum verleningsbeschikking van de gemeente en geldt voor de duur die aangegeven wordt in de verleningsbeschikking. De Jeugdwet, voor wat betreft het pleegcontract en informatieverplichtingen, en de Regeling Jeugdwet 2015 zijn hierbij van toepassing. Toelichting Zodra de gemeente tot een positieve beslissing is gekomen ten aanzien van zowel de veiligheid in het netwerkgezin als ten aanzien van de noodzaak om in het gedwongen kader tot een pleegzorgplaatsing over te gaan, wordt de plaatsing vervolgens geformaliseerd. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het netwerkgezin wordt door de gemeente overgedragen aan de pleegzorgaanbieder. De overdracht wordt “warm” gedaan. Dat wil zeggen dat er tenminste telefonisch contact is tussen de pleegzorgaanbieder en de medewerker van de gemeente waarin deze overgang van verantwoordelijkheid expliciet benoemd wordt en nog gelegenheid is om bijzonderheden te bespreken. Deze stap staat los van de taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat de pleegzorgaanbieder over alle relevante informatie beschikt, zoals de verleningsbeschikking, de weging en conclusies van de veiligheidstoets en de overwegingen van de gemeente die tot de verleningsbeschikking hebben geleid. De geldigheid van de verleningsbeschikking vangt aan op de dag van (vaststelling van) de beschikking, mits de plaatsing een aanvang heeft genomen. Recht op de pleegvergoeding ontstaat op de datum van ondertekening van het pleegcontract, maar werkt in het kader van deze richtlijn terug tot de datum verleningsbeschikking. Dit is een uitzondering ten opzichte van hetgeen is bepaald in artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet. Deze uitzondering is in de richtlijn opgenomen in verband met eerder genoemd onderzoek van de Nationale ombudsman, waarin hij concludeerde dat in situaties als waarvoor het protocol is opgesteld een versnelde procedure moet worden gevolgd waardoor sneller hulp en financiering kan worden geboden. Omdat het hier, als het gaat om de betaling, een uitzondering op de Regeling Jeugdwet betreft, moeten de gemeente en de pleegzorgaanbieder hierover nadrukkelijk afspraken maken met elkaar. Conform de termijnafspraken die de gemeente en de pleegzorgaanbieder in het kader van dit protocol maken, houdt de terugwerkende krachtbepaling in de praktijk in dat de pleegzorgaanbieder tot maximaal 1 dag vóór datum ontvangst verleningsbeschikking een pleegvergoeding verstrekt. Het is daarom van belang dat de gemeente de bepaling tijdig naar de pleegzorgaanbieder stuurt. Het enkele feit dat de gemeente een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgeeft wil nog niet zeggen dat het netwerkgezin definitief het netwerkpleeggezin op grond van de Jeugdwet wordt. De pleegzorgaanbieder heeft de wettelijke taak te beoordelen of de verzorging en opvoeding van de jeugdige door het netwerkgezin voldoende biedt voor de ontwikkeling van de jeugdige. Onderdeel van de screening is het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in verband met afgifte van de zogenaamde verklaring van geen bezwaar. Indien een dergelijke verklaring door de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt afgegeven, komt de pleegzorgaanbieder in ieder geval tot het oordeel dat het netwerkgezin niet geschikt is. Het pleegcontract zal op grond daarvan worden beëindigd. In overleg met de gemeente moet een oplossing worden gevonden. Naast het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming heeft de pleegzorgaanbieder zelf ook de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor op grond van artikel 5.1 lid 3 van de Jeugdwet maximaal 13 weken de tijd, gerekend vanaf het moment van ondertekening van het pleegcontract. In het kader van dit protocol wordt gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp. In het kader van dit onderzoek door de pleegzorgaanbieder gelden verschillende eisen, die deels verankerd zijn in de Jeugdwet en deels in het “Kwaliteitskader Voorbereiding en screening aspirant pleegouders”. Dit kwaliteitskader is een kader dat door alle pleegzorgaanbieders wordt gehanteerd, voor zowel de voorbereiding en screening van bestandspleegouders als netwerkpleegouders. Met dit kader wordt transparantie en eenduidigheid geboden in het traject van voorbereiding en screening, ter bevordering van de veiligheid van het kind. De pleegzorgaanbieder voert haar onderzoekstaak zorgvuldig en op basis van wetgeving en landelijk beleid uit. Op basis van dit onderzoek kan zij tot de conclusie komen dat het netwerkgezin niet geschikt is. Dit onderzoek wordt ook ingesteld indien het een inmiddels door de gemeente geformaliseerde en reeds gerealiseerde plaatsing betreft in het netwerkgezin (met een verleningsbeschikking), waarvoor al op grond van een pleegcontract betaling op gang was gekomen. Bij negatieve uitkomst van het onderzoek zal het pleegcontract alsnog op een nader te bepalen tijdstip worden beëindigd, inclusief de begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder. Uiteraard zal de pleegzorgaanbieder hierover in overleg treden met de gemeente. De pleegzorgaanbieder heeft, zoals eerder gesteld, de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor maximaal 13 weken de tijd, in deze veldnorm gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp. De pleegzorgaanbieder houdt in het dossier het verloop van de termijn en daarbinnen voorkomende relevante ontwikkelingen bij. Stap 4: Einde voortzetting plaatsing in netwerkgezin Er zijn drie situaties te onderscheiden waarbij na de verleningsbeschikking en ondertekening van het pleegcontract voortzetting van de plaatsing onder verantwoordelijkheid van de gemeente en de pleegzorgaanbieder geen verdere doorgang meer kan vinden: de grond waarop de verleningsbeschikking is genomen is komen te vervallen; hiermee valt de beschikking; de pleegzorgaanbieder komt tot de conclusie dat het netwerkgezin niet het juiste gezin is voor deze jeugdige. Dit kan zijn omdat de Raad voor de Kinderbescherming geen verklaring van geen bezwaar afgeeft, dan wel dat het netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder dit inzicht oplevert. Het netwerkgezin trekt zich terug en opvang moet worden beëindigd. In al deze gevallen zal de formele plaatsing onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente en de pleegzorgaanbieder beëindigd moeten worden. Als jeugdhulp in de vorm van pleegzorg in situatie b en c nog wel noodzakelijk is (situatie a is niet van toepassing), dan zal de gemeente samen met de pleegzorgaanbieder zo snel mogelijk een alternatief moeten zoeken. Zolang dit alternatief niet voorhanden is en terugkeer naar huis niet mogelijk is, zal de begeleiding vanuit pleegzorg (en de betaling) aan het netwerkgezin met verantwoordelijkheid van de pleegzorgaanbieder voor de veiligheid van de jeugdige in dat gezin nog doorgaan, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. De gemeente zorgt dan voor de begeleiding van het gezinssysteem van de jeugdige. Toelichting Besluit beëindigen bepaling jeugdhulp Als de noodzaak van de plaatsing in het kader van te verlenen jeugdhulp volgens de wet bij het netwerkgezin niet (meer) aanwezig is, vervalt hiermee ook de formele status van de plaatsing. De gemeente trekt de verleningsbeschikking in dat geval in. Begeleiding van, betaling aan en screening door de pleegzorgaanbieder met betrekking tot het netwerkgezin worden vanaf de datum van het besluit tot intrekken van de beschikking van de gemeente gestopt. De ouders zijn vanaf diezelfde datum verantwoordelijk voor het verblijf van het kind in het netwerkgezin. Besluit ongeschiktheid netwerkgezin Als de pleegzorgaanbieder na netwerkonderzoek tot de conclusie komt dat het netwerkgezin geschikt is als pleeggezin, dan worden het pleegcontract, de begeleiding en financiering voortgezet. Als het netwerkgezin op grond van de screening door de pleegzorgaanbieder echter niet geschikt blijkt en uithuisplaatsing wel noodzakelijk is, zal in overleg met alle betrokkenen een oplossing voor de jeugdige gezocht worden. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk en voor zover dit in het kader van veiligheid van de jeugdige verantwoord is. De gemeente en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tijdelijke situatie afspraken over de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp. Terugtrekken netwerkgezin In de praktijk kan het voorkomen dat een netwerkgezin zich gedurende het onderzoek zelf terugtrekt en de plaatsing beëindigd moet worden. Indien uithuisplaatsing nog wel noodzakelijk wordt geacht, gaan de gemeente en de pleegzorgaanbieder in overleg met de ouders en het netwerkgezin op zoek naar een oplossing voor de korte termijn. Een oplossing kan zijn dat het netwerkgezin tijdelijk toch voor opvang zorgt totdat een structureel alternatief gezocht is. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk. Indien het netwerkgezin geen tijdelijke opvang kan bieden, kan de jeugdige – bijvoorbeeld met extra begeleiding en/of jeugdhulp – tijdelijk terugkeren naar de ouders, in afwachting van een oplossing. De gemeente en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tussenoplossing afspraken over de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp. BIJLAGE 6.Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming – Pleegzorgaanbieders,§ 2 De veldnorm in stappen 80NB. De termijnen worden vermeld in kalenderdagen.81Jeugdzorg Nederland. “Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming – Pleegzorgaanbieders:” 3–8, 1 januari 2016. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/2016_veldnorm_netwerkpleegzorg_jeugdbescherming_-_pleegzorgaanbieder_versie_1_januari_2016.pdf. De veldnorm in stappen Stap 1: Veiligheidstoets binnen 7 dagen na melding bij de GI van een voldongen feit netwerkplaatsing c.q. na realisatie van de door de GI voorbereide plaatsing met een acuut karakter. Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 7 dagen na melding bij de GI van netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de GI voorbereide plaatsing met een acuut karakter, vindt een door de GI uitgevoerde veiligheidstoets plaats op grond van een risicotaxatie van en huisbezoek aan het netwerkgezin. Bij twijfel, bijvoorbeeld over de veiligheid, kan de jeugdige niet in het netwerkgezin blijven en moet een alternatief worden gezocht, afhankelijk van de problematiek en de situatie. Hierover wordt door de GI mededeling gedaan aan het netwerkgezin en de ouders, zijn de vervolgstappen van de veldnorm netwerkpleegzorg niet meer van toepassing en zal geen recht op pleegvergoeding ontstaan. Wanneer de GI met behulp van de tot haar beschikking staande middelen c.q. instrumenten het verblijf per definitie als onvoldoende veilig of ongeschikt beoordeelt, moet de GI de plaatsing onmiddellijk beëindigen of hiertoe de (juridische) mogelijkheden onderzoeken. Toelichting Uitgangspunt in deze veldnorm is dat er altijd een veiligheidstoets plaatsvindt, ongeacht of de GI met de netwerkplaatsing voor een voldongen feit wordt gesteld (niet betrokken was bij de plaatsing) of dat het gaat om acute realisatie van een plaatsing die vanuit de GI reeds in voorbereiding was. Als er geen sprake is van een acute situatie of een reeds gerealiseerde plaatsing in een nog niet gescreend netwerkgezin, dan worden zoveel als mogelijk de normale wettelijke termijnen voor beoordeling van de wenselijkheid van de uithuisplaatsing en screening van de veiligheid in het netwerkgezin in acht genomen, voordat tot plaatsing en betaling van een pleegvergoeding kan worden overgegaan. Stap 2: Inhoudelijke beoordeling aanspraak op jeugdhulp verblijf bij een pleegouder binnen 7 tot 14 dagen na melding bij de GI van de gerealiseerde netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de GI voorbereide plaatsing met een acuut karakter. Als na een inhoudelijke beoordeling blijkt dat er geen sprake is van opgroei- en opvoedingsproblematiek die uithuisplaatsing noodzakelijk maakt en de jeugdige terug naar huis zou kunnen of op een andere wijze binnen het netwerk geholpen kan worden, dan wordt geen bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet vastgesteld en daarmee is formalisering en financiering van de netwerkplaatsing niet aan de orde. Kiezen de ouders ervoor om het verblijf van de jeugdige in het netwerk voort te zetten, dan zijn zij daarvoor ook financieel verantwoordelijk. De GI kan, in samenspraak met het gezin, zo nodig alternatieven onderzoeken. De GI deelt het besluit om wel of geen bepaling jeugdhulp vast te stellen uiterlijk binnen 14 dagen na de melding mee aan het netwerkgezin en aan de ouders. Afgifte van een bepaling jeugdhulp en financiering van de plaatsing is dus geen automatisme. De veldnorm netwerkpleegzorg en de termijnen zijn dan verder niet van toepassing op de situatie, ook als de situatie bij de netwerkouders in principe in de vorige fase als veilig is beoordeeld. Als de GI het netwerkgezin na de inhoudelijke beoordeling als voldoende veilig heeft beoordeeld en als er volgens de GI sprake is van zodanige problematiek dat een (tijdelijke) uithuisplaatsing noodzakelijk is, zal de GI indien mogelijk binnen 7 maar uiterlijk binnen 14 dagen na de melding van de gerealiseerde netwerkopvang een bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet vaststellen. Deze bepaling wordt, vergezeld van het dossier, waarin onder andere de uitkomsten van de veiligheidstoets zijn opgenomen, binnen deze 14 dagen doorgestuurd naar de pleegzorgaanbieder voor het opstellen van een pleegcontract. Gelijktijdig wordt door de GI bij de pleegzorgaanbieder een verzoek gedaan voor het opnemen van de begeleiding van het netwerkgezin en het starten van het netwerkonderzoek. Toelichting Normaal gesproken heeft de GI voor een inhoudelijke beoordeling van de situatie en de vraag of jeugdhulp aangewezen is, meerdere weken nodig. Naast de bij stap 1 beschreven toets op veiligheid, moet de GI beoordelen of de inzet van jeugdhulp echt noodzakelijk is. Jeugdhulp is ondersteuning of hulp bij (dreigende) opgroei- en opvoedingsproblemen. Om een hulpvraag te kunnen vertalen naar een vaststelling tot bepaling jeugdhulp moet dus sprake zijn van (dreiging van) opgroei- en opvoedingsproblemen. Op het moment dat een jeugdige, een netwerkgezin of ouders zich melden bij de GI met de mededeling dat de jeugdige in het gezin van een bekende wordt opgevangen, is sprake van een urgente situatie die een spoedige beslissing vraagt. Ook voor zo’n spoedige beslissing is de GI gehouden om die zorgvuldig te nemen. In overleg met de ouders volgt de GI volgens deze veldnorm netwerkpleegzorg een versnelde procedure om binnen 14 dagen te bepalen of de problemen van dien aard zijn, dat een uithuisplaatsing aangewezen is omdat er geen andere alternatieven zijn. Vervolgens moet bepaald worden of die uithuisplaatsing het beste in het aangemelde netwerkgezin kan gebeuren. Als het onderzoek uitwijst dat de vraag alleen (tijdelijke) huisvesting/opvang van het kind betreft en de GI komt tot de conclusie dat een uithuisplaatsing binnen het kader van de Jeugdwet niet nodig is, dan geeft zij geen bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet af voor pleegzorg. Dit betekent dat de jeugdige dan ofwel naar huis terug kan of met instemming en onder (ook financiële) verantwoordelijkheid van ouders in het netwerkgezin blijft. Dit laatste mits de GI het verblijf conform intern beleid heeft goedgekeurd. Als de GI op basis van onderzoek concludeert dat uithuisplaatsing noodzakelijk is, stelt zij een bepaling jeugdhulp vast. De uithuisplaatsing in het gedwongen kader moet zo spoedig mogelijk ter bekrachtiging aan de kinderrechter worden voorgelegd. Immers, voor een dergelijke uithuisplaatsing is een machtiging van de kinderrechter vereist. De GI stuurt de volledig ingevulde bepaling jeugdhulp naar de pleegzorgaanbieder, vergezeld van het dossier van de jeugdige. Hierin zijn in ieder geval de uitkomsten van de veiligheidstoets opgenomen, zowel de weging als de conclusies. Daarnaast bevat het dossier alle voor de pleegzorgaanbieder noodzakelijke informatie zoals aanleiding en motivatie voor besluitvorming, informatie over eventuele voorafgaande hulpverlening en praktische informatie zoals (adres)gegevens van ouders en netwerkgezin en de BRP-gegevens van de jeugdige. Zonder deze informatie - bepaling jeugdhulp en dossier – kan de overdracht naar de pleegzorgaanbieder niet plaatsvinden en kan niet worden overgegaan tot stap 3 van deze veldnorm. Stap 3: Overdracht van begeleiding netwerkgezin en verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de jeugdige van de GI aan de pleegzorgaanbieder; Opstellen en ondertekenen pleegcontract door de pleegzorgaanbieder; Start netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder; Start begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder aan netwerkgezin. 82Vanaf het moment dat de pleegzorgaanbieder een pleegcontract sluit met het netwerkgezin en het netwerkonderzoek start, wordt het netwerkgezin in de praktijk aangeduid als aspirant netwerkpleegouders. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze veldnorm ook in die fase gebruik gemaakt van de term netwerkgezin. Binnen 7 dagen na stap 2 (is binnen 3 weken na start bij de GI) vindt een warme overdracht plaats op basis van tenminste telefonisch contact. Het dossier is dan reeds overgedragen. Vanaf dat moment is de pleegzorgaanbieder verantwoordelijk voor de veiligheid van de jeugdige in het netwerkgezin. Zij stelt zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen 7 dagen na stap 2, een pleegcontract op. Zodra het pleegcontract door het netwerkgezin is ondertekend, start het netwerkonderzoek en de begeleiding van het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder. Vanaf de datum van ondertekening van het pleegcontract start ook het recht op de financiering (de pleegvergoeding). Dit recht werkt terug tot de datum bepaling jeugdhulp van de GI en geldt voor ten hoogste de duur die aangegeven wordt in de bepaling. De Jeugdwet, voor wat betreft het pleegcontract en informatieverplichtingen, en de Regeling Jeugdwet 2015 zijn hierbij van toepassing. Toelichting Zodra de GI tot een positieve beslissing is gekomen ten aanzien van zowel de veiligheid in het netwerkgezin als ten aanzien van de noodzaak om in het gedwongen kader tot een pleegzorgplaatsing over te gaan, wordt de plaatsing vervolgens geformaliseerd. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het netwerkgezin wordt door de GI overgedragen aan de pleegzorgaanbieder. De overdracht wordt ‘warm’ gedaan. Dat wil zeggen dat er tenminste telefonisch contact is tussen de pleegzorgaanbieder en de medewerker van de GI waarin deze overgang van verantwoordelijkheid expliciet benoemd wordt en nog gelegenheid is om bijzonderheden te bespreken. Deze stap staat los van de taak van de GI om ervoor te zorgen dat de pleegzorgaanbieder over alle relevante informatie beschikt, zoals de bepaling jeugdhulp, de weging en conclusies van de veiligheidstoets en de overwegingen van de GI die tot de bepaling jeugdhulp hebben geleid. De geldigheid van de bepaling jeugdhulp vangt aan op de dag van (vaststelling van) de bepaling, mits de plaatsing een aanvang heeft genomen. Recht op de pleegvergoeding ontstaat op de datum van ondertekening van het pleegcontract, maar werkt in het kader van deze veldnorm terug tot de datum bepaling jeugdhulp. Dit is een uitzondering ten opzichte van hetgeen is bepaald in artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet. Deze uitzondering is in de veldnorm opgenomen in verband met eerder genoemd onderzoek van de Nationale ombudsman, waarin hij concludeerde dat in situaties als waarvoor de veldnorm is opgesteld een versnelde procedure moet worden gevolgd waardoor sneller hulp en financiering kan worden geboden. Omdat het hier om een uitzondering op de Regeling Jeugdwet betreft, moeten de GI en de pleegzorgaanbieder hierover in overleg treden met de betreffende gemeente, gelet op diens rol en verantwoordelijkheden in het huidige stelsel. 83Voor de goede orde: het gaat hier om overleg over de toepassing van de afspraken uit de veldnorm en de uitzondering op de Regeling Jeugdwet in zijn algemeenheid en niet om overleg per casus.84Opgemerkt moet worden dat het kan zijn dat een pleegzorgaanbieder in voorkomende situaties – in verband met het woonplaatsbeginsel - afspraken moet maken met andere gemeenten dan de gemeente(n) waarmee al een inkooprelatie bestaat en waarmee afspraken op basis van deze veldnorm zijn gemaakt. Dit kan het proces vertragen en daarmee inhouden dat de pleegzorgaanbieder een bepaald financieel risico neemt zolang er nog geen overeenstemming is met de betreffende gemeente. Conform de termijnafspraken die de GI en de pleegzorgaanbieder in het kader van dit deze veldnorm maken, zal de terugwerkende krachtbepaling in het kader van de betaling van de betaling van de pleegvergoeding in de praktijk inhouden dat de pleegzorgaanbieder tot maximaal 1 dag vóór datum ontvangst bepaling jeugdhulp een pleegvergoeding verstrekt. Het is daarom van belang dat de GI de bepaling tijdig naar de pleegzorgaanbieder stuurt. Het enkele feit dat de GI een bepaling jeugdhulp pleegzorg afgeeft wil nog niet zeggen dat het netwerkgezin definitief het netwerkpleeggezin op grond van de Jeugdwet wordt. De pleegzorgaanbieder heeft de wettelijke taak te beoordelen of de verzorging en opvoeding van de jeugdige door het netwerkgezin voldoende biedt voor de ontwikkeling van de jeugdige. Onderdeel van de screening is het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in verband met afgifte van de zogenaamde verklaring van geen bezwaar. Indien deze verklaring door de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt afgegeven, komt de pleegzorgaanbieder in ieder geval tot het oordeel dat het netwerkgezin niet geschikt is. Het pleegcontract zal op grond daarvan worden beëindigd. In overleg met de GI moet een oplossing worden gevonden. Naast het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming heeft de pleegzorgaanbieder zelf ook de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor op grond van artikel 5.1 lid 3 van de Jeugdwet maximaal 13 weken de tijd, gerekend vanaf het moment van ondertekening van het pleegcontract. In het kader van deze veldnorm wordt gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp. In het kader van het onderzoek door de pleegzorgaanbieder gelden verschillende eisen, die deels verankerd zijn in de Jeugdwet en deels in het ‘Kwaliteitskader Voorbereiding en screening aspirant pleegouders’. Dit kwaliteitskader is een kader dat door alle pleegzorgaanbieders wordt gehanteerd, voor zowel de voorbereiding en screening van bestandspleegouders als netwerkpleegouders. Met dit kader wordt transparantie en eenduidigheid geboden in het traject van voorbereiding en screening, ter bevordering van de veiligheid van het kind. De pleegzorgaanbieder voert haar onderzoekstaak zorgvuldig en op basis van wetgeving en landelijk beleid uit. Op basis van dit onderzoek kan zij tot de conclusie komen dat het netwerkgezin niet geschikt is. Dit onderzoek wordt ook ingesteld indien het een inmiddels door de GI geformaliseerde en reeds gerealiseerde plaatsing betreft in het netwerkgezin (met een bepaling jeugdhulp), waarvoor al op grond van een pleegcontract betaling op gang was gekomen. Bij negatieve uitkomst van het onderzoek zal het pleegcontract alsnog op een nader te bepalen tijdstip worden beëindigd, inclusief de begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder. Uiteraard zal de pleegzorgaanbieder hierover in overleg treden met de GI. De pleegzorgaanbieder heeft, zoals eerder gesteld, de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor maximaal 13 weken de tijd, in deze veldnorm gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp. De pleegzorgaanbieder houdt in het dossier het verloop van de termijn en daarbinnen voorkomende relevante ontwikkelingen bij. Stap 4: Einde voortzetting plaatsing in netwerkgezin Er zijn drie situaties te onderscheiden waarbij na de bepaling jeugdhulp en ondertekening van het pleegcontract voortzetting van de plaatsing onder verantwoordelijkheid van de GI en de pleegzorgaanbieder geen verdere doorgang meer kan vinden: de GI komt in de loop van het hulpverleningsproces, na (verder) onderzoek en beoordeling van de problemen, alsnog tot de conclusie dat er geen hulpvraag of begeleidingsvraag (meer) is waarop pleegzorg het antwoord is. Hiermee vervalt de grond voor de bepaling jeugdhulp; de pleegzorgaanbieder komt tot de conclusie dat het netwerkgezin niet het juiste gezin is voor deze jeugdige. Dit kan zijn omdat de Raad voor de Kinderbescherming geen verklaring van geen bezwaar afgeeft, dan wel dat het netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder dit inzicht oplevert. Het netwerkgezin trekt zich terug en opvang moet worden beëindigd. In al deze gevallen zal de formele plaatsing onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de GI en de pleegzorgaanbieder beëindigd moeten worden. Als jeugdhulp in de vorm van pleegzorg in situatie b en c nog wel noodzakelijk is (situatie a is niet van toepassing), dan zal de GI samen met de pleegzorgaanbieder zo snel mogelijk een alternatief moeten zoeken. Zolang dit alternatief niet voorhanden is en terugkeer naar huis niet mogelijk is, zal de begeleiding vanuit Pleegzorg (en de betaling) aan het netwerkgezin met verantwoordelijkheid van de pleegzorgaanbieder voor de veiligheid van de jeugdige in dat gezin nog doorgaan, indien en voor zolang dit redelijkerwijs mogelijk is. De GI zorgt dan voor de begeleiding van het gezinssysteem van de jeugdige. Toelichting Beëindigen bepaling jeugdhulp Als de noodzaak van de plaatsing in het kader van te verlenen jeugdhulp volgens de wet bij het netwerkgezin naar de mening van de GI niet (meer) aanwezig is, vervalt hiermee ook de formele status van de plaatsing. De GI beëindigt de bepaling jeugdhulp in dat geval. Begeleiding van, betaling aan en screening door de pleegzorgaanbieder met betrekking tot het netwerkgezin worden vanaf de datum van het besluit tot intrekken van de bepaling van de GI gestopt. Het is vervolgens aan de GI om te besluiten of er geen bezwaren zijn om de plaatsing op vrijwillige basis te (laten) continueren. Normaal gesproken zijn de ouders vanaf diezelfde datum verantwoordelijk voor betaling en veiligheid van het kind in het netwerkgezin, maar vooral bij een ondertoezichtstelling is de GI minstens medeverantwoordelijk. Ongeschiktheid netwerkgezin Als de pleegzorgaanbieder na netwerkonderzoek tot de conclusie komt dat het netwerkgezin geschikt is als pleeggezin, dan worden het pleegcontract, de begeleiding en financiering voortgezet. Als het netwerkgezin op grond van de screening door de pleegzorgaanbieder echter niet geschikt blijkt en uithuisplaatsing wel noodzakelijk is, zal in overleg met alle betrokkenen een oplossing voor de jeugdige gezocht worden. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk en voor zover dit in het kader van veiligheid van de jeugdige verantwoord is. De GI en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tijdelijke situatie afspraken over de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp. Terugtrekken netwerkgezin In de praktijk kan het voorkomen dat een netwerkgezin zich gedurende het onderzoek zelf terugtrekt en de plaatsing beëindigd moet worden. Indien uithuisplaatsing nog wel noodzakelijk wordt geacht, gaan de GI en de pleegzorgaanbieder in overleg met de ouders en het netwerkgezin op zoek naar een oplossing voor de korte termijn. Een oplossing kan zijn dat het netwerkgezin tijdelijk toch voor opvang zorgt totdat een structureel alternatief gezocht is. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk. Indien het netwerkgezin geen tijdelijke opvang kan bieden, kan de jeugdige – bijvoorbeeld met extra begeleiding en/of jeugdhulp - tijdelijk terugkeren naar de ouders, in afwachting van een oplossing. De GI en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tussenoplossing afspraken over de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp. BIJLAGE 7.Graadpleegde bronnen85Conform Chicago-/CMS-systeem, 16e editie. Beeldnummer 286, Olifanten ouder en kind. 16 maart 2011. Foto. Beeldbank gemeente Emmen, Emmen. BMC. ‘Evaluatieonderzoek Wet op de jeugdzorg. Eindrapport’. Oktober 2009. Geraadpleegd 6 december 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Jeugdzorg_Evaluatieonderzoek_Wet_091103.pdf. BVIKZ. ‘Wanneer is er sprake van IKZ.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.bvikz.nl/downloads/ewExternalFiles/IKZ%20en%20wetgeving.pdf. De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:CRVB:2019:2362.’ 19 juli 2019. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2362. De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:RBNNE:2019:3466.’ 14 augustus 2019. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:3466. De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:RBALK:2011:BR7112.’ 8 september 2011. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBALK:2011:BR7112. De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448.’ 19 februari 2013. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448. Jeugdzorg Nederland. ‘Jeugdzorgplus.’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://www.jeugdzorgnederland.nl/jeugdhulp/jeugdzorgplus/. Jeugdzorg Nederland. ‘Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming – Pleegzorgaanbieders.’ 1 januari 2016. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/2016_veldnorm_netwerkpleegzorg_jeugdbescherming_-_pleegzorgaanbieder_versie_1_januari_2016.pdf. Mitchell, T.R., Daniels, D. ‘Motivation.’ In Handbook of Psychology volume 12. Geredigeerd door W. C. Borman, D.R. Ilgen; R. J. Klimoski, 229. Hoboken: John Wiley & Sons, Inc. Movisie. ‘Multidisciplinaire aanpak MDA++.’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://gemeenten.movisie.nl/doel/huiselijk-geweld-en-kindermishandeling-aanpakken/beleid/multidisciplinaire-aanpak-mda. NJi. ‘Memorie van toelichting.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Memorie-van-toelichting-Wetsvoorstel-maatschappelijke-ondersteuning-2015.pdf. NJi en Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen. ‘Pleegzorg na 18 jaar.’ 2018. Geraadpleegd 19 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Publicatie-NJi/Pleegzorg-na-18-jaar.pdf Per Saldo. ‘Kinderen met een intensieve zorgvraag en MSVT.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/zvw/voor-wie-welke-zorg/intensieve-kindzorg/. Per Saldo. ‘PGB-test.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/wat-is-een-pgb/. Raad voor Volkesgezondheid en Samenleving. ‘Recept voor maatschappelijk probleem. Medicalisering van levensfasen.’ Maart 2017. Geraadpleegd 11 december 2019 via https://www.raadrvs.nl/documenten/publicaties/2017/04/04/recept-voor-maatschappelijk-probleem. Rijksoverheid. ‘Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca).’ Geraadpleegd 11 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/contact/contactgids/centrale-autoriteit-internationale-kinderaangelegenheden. Rijksoverheid. ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) PGB-vaardigheid.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zorg-en-ondersteuning-thuis/documenten/brochures/2019/06/26/handreiking-voor-toetsing-op-minimale-pgb-vaardigheid. Rijksoverheid. ‘Internationale kinderbescherming.’ Geraadpleegd 11 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdbescherming/internationale-kinderbescherming. Rijksoverheid. ‘Memorie van toelichting bij de Jeugdwet.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2013/07/01/memorie-van-toelichting-bij-de-jeugdwet. Rijksoverheid. ‘Stroomschema zorg op school.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2018/07/26/passend-onderwijs-en-zorg-stroomschema-zorg-op-school. Rijksoverheid. ‘Wanneer komt mijn kind in aanmerking voor gesloten jeugdzorg?’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdhulp/vraag-en-antwoord/wanneer-komt-mijn-kind-in-aanmerking-voor-gesloten-jeugdzorg. Rooijmans, H.G.M. ‘Onbegrepen lichamelijke klachten en conversie.’ Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde 130 (1986): 2174-8. Stein, M. Young people leaving care: supporting pathways to adulthood. Londen: Jessica Kingsley Publishers, 2012. Tweede Kamer der Staten-Generaal. ‘Parlementaire Werkgroep Toekomstverkenning, Jeugdzorg, Jeugdzorg dichterbij (Kamerstukken II 2009/10, 32 296, nr. 7).’ 19 mei 2010. Geraadpleegd 6 december 2019 via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32296-8.html. VNG. ‘Pleegzorg.’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/pleegzorg#Wat_is_de_rol_van_gemeenten. VNG. ‘Pleegzorg standaard tot 21 jaar. Scenario’s.’ Geraadpleegd 30 juli 2018 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/nieuws/pleegzorg-standaard-tot-21-jaar%20. VNG. ‘PRACHT Drenthe: een oplossingsverplichting voor elke casus’. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/zorglandschap-jeugdhulp/pracht-drenthe-een-oplossingsverplichting-voor-elke-casus. VNG. ‘Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente – pleegzorgaanbieders.’ April 2016. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/20160425_richtlijn_netwerkpleegzorg.pdf. VNG. ‘Stappenplan verantwoordelijke gemeente.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/201707_mindmap_stappenplan_bepaling_gemeente_woonplaatsbeginsel.pdf. Werkgroep Kind in AZC. ‘Gezinslocaties.’ Geraadpleegd 11 november 2019 via http://www.kind-in-azc.nl/gezinslocaties/. Werkgroep Kind in AZC. ‘Zo kan het ook.’ 2016. Geraadpleegd 15 november 2019 via http://www.kind-in-azc.nl/wp-content/uploads/2016/11/Rapport-Zo-kan-het-ook.pdf. Wienen, A. W. Inclusive education: from individual to context. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2019. Zorgbelang Drenthe. ‘Ombudsman sociaal domein gemeente Emmen.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.zorgbelang-drenthe.nl/ombudsman-sociaal-domein-zorgbelang-drenthe.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel