Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Indien een beslissing op de aanvraag niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beslissing op de aanvraag wel tegemoet kan worden gezien.
Als er geen grond is om de vergunning te weigeren, kan het college de beslissing op de aanvraag aanhouden, als voor de werkzaamheden tevens een Omgevingsvergunning en/of een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening en/of een vergunning van derden benodigd is.
Het college kan de beslissing op de aanvraag niet aanhouden indien:
de in het vierde lid bedoelde vergunning is afgegeven en zes weken zijn verstreken waarbinnen geen bezwaar is aangetekend dan wel
een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend en op dat verzoek is beslist.
De vergunning wordt in ieder geval niet verleend indien niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.
Als het werkzaamheden van niet-ingrijpende aard betreft beslist het college, in afwijking van het eerste lid, binnen vijf werkdagen na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het besluit bedoeld in het eerste en zesde lid.