Deze verordening treedt in werking op de dag na haar bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijk ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik 2020.
Toelichting op de Verordening Wmo en jeugdhulp gemeente Bunnik
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) en de Jeugdwet. Beide wetten kennen een voorzieningenplicht, die inhoudt dat het college een voorziening moet treffen als er problemen bestaan bij het opvoeden en opgroeien (Jeugdwet), de zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving (Wmo beschermd wonen en opvang). De gemeenteraad moet in de verordening regels stellen over de uitvoering van die voorzieningenplicht. Maar ook over de bestrijding van misbruik, de eisen aan Wmo-zorgaanbieders en het borgen van de prijs-kwaliteitverhouding van voorzieningen.
Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein zoveel als mogelijk te komen tot een integrale uitvoering. Tegelijkertijd zijn de verschillende wetten daar niet op ingericht en kennen ze dusdanige verschillen in bindende regels en mate van ruimte dat een verregaande integratie niet te realiseren is als gemeenten de wetten op een correcte en zorgvuldige wijze willen uitvoeren (zie ook de VNG-ledenbrief d.d. 17 april 2019, nr 19/019). De meerwaarde van een geïntegreerde verordening zit wel in de erkenning van de zorgplicht om zo integraal mogelijk te werken, zoals ook terugkomt in het eerste artikel van deze verordening. En het zoveel als mogelijk harmoniseren van regels binnen de afzonderlijke ‘kolommen’ Wmo en Jeugd. Dat is in deze verordening gebeurd. De bepalingen rondom de intake-procedure en het pgb zijn daar waar mogelijk op elkaar afgestemd, zodat binnen de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet zoveel als mogelijk dezelfde eisen worden gehanteerd.
Hierna worden enkele punten uit de verordening toegelicht.
Intakeprocedure ondersteuningsvragen bij Centrum voor Elkaar
In de Wmo 2015 is een intakeprocedure vastgelegd voor het in behandeling nemen van ondersteuningsvragen. Deze bestaat uit een melding, een onderzoek en zo nodig een aanvraag en een besluit. In deze verordening is ervoor gekozen deze procedure ook te hanteren voor hulpvragen in het kader van de Jeugdwet.
Inwoners met een ondersteuningsvraag kunnen zich melden bij het Centrum voor Elkaar (CvE). Zo’n melding is vormvrij en kan op allerlei manieren plaatsvinden. Het CvE bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en gaat vervolgens in gesprek om de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te onderzoeken en in kaart te brengen. Dit gebeurd met een integrale blik, zodat ook wanneer ondersteuning nodig blijkt op andere domeinen, hiervoor hulp wordt ingezet of doorgeleiding plaats vindt.
Als het onderzoek is afgerond, vindt terugkoppeling plaats naar de inwoner middels een verslag. De inwoner kan er daarna zelf voor kiezen of hij een aanvraag wil indienen en een besluit wil ontvangen van het college. Soms blijkt dat de ondersteuningsvraag kan worden opgelost met een algemene voorziening of een beroep op een andere wet of het voorliggend veld. Een aanvraag is dan niet nodig en blijft meestal achterwege. Als echter een maatwerkvoorziening nodig is of de inwoner om andere redenen graag een beslissing wil, kan hij een aanvraag indienen. Het college zal daarna een besluit nemen op deze aanvraag, waar desgewenst rechtsmiddelen tegen kunnen worden ingezet (zie de artikelen 7, 8, 9 en 10 van deze verordening voor de Jeugdwet en de artikelen 19, 20, 21 en 22 voor de Wmo 2015).
Bijdrage in de kosten van een Wmo-maatwerkvoorziening (abonnementstarief)
Per 1 januari 2020 gaat voor maatwerkvoorzieningen en voor bepaalde algemene voorzieningen het abonnementstarief gelden. Dat betekent dat cliënten die gebruik maken van één of meerdere Wmo-maatwerkvoorzieningen een eigen bijdrage van € 19,- per maand gaan betalen (bedrag op 1 januari 2020). Beschermd wonen en opvang zijn hiervan uitgezonderd. Het abonnementstarief geldt ook voor algemene voorzieningen waarbij sprake is van een ‘duurzame hulpverleningsrelatie’. Voor andere algemene voorzieningen kan de gemeente zelf de hoogte van de bijdrage bepalen.
In de verordening moet geregeld zijn voor welke voorzieningen een bijdrage wordt gevraagd. Binnen de gemeente Bunnik wordt alleen een bijdrage gevraagd voor maatwerkvoorzieningen. Die is dan ook geregeld in deze verordening (artikel 27 lid 1 en 3 van de verordening). Collectief vervoer is wettelijk uitgezonderd van het abonnementstarief. Reden voor deze uitzondering is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. Als hier wel een bijdrage voor wordt gevraagd, zoals een ritbijdrage, moet die in de verordening staan. Dat is opgenomen in artikel 27 lid 4. Verder mag de bijdrage voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en collectief vervoer niet hoger zijn dan de kostprijs. In de verordening moet geregeld zijn hoe de kostprijs van deze voorzieningen wordt bepaald. Dit is geregeld in de leden 6, 7 en 8 van artikel 27. Tot slot moet de gemeente in de verordening bepalen door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor opvang wordt vastgesteld en geïnd (zie lid 9).
Hoofdstuk 4.
Artikel 39.
Inwerkingtreding en citeertitel
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik 2020