Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.2

Artikel 23.

Toekenning- en afwijzingsgronden voor een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik 2020

Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de cliënt gebruik kan maken van een algemeen gebruikelijke voorziening; als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Bunnik. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan in dat geval wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan in dat geval wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen conform het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Utrecht, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente. In afwijking van lid 6 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5 lid 6 van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel