De burgemeester trekt de exploitatievergunning in indien:
a. de vergunning is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
b. een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2.2, vierde lid;
c. zich in of in de nabijheid van het horecabedrijf feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid;
d. indien voor de exploitatie van een horecabedrijf tevens een vergunning op basis van de wet is vereist en deze vergunning is ingetrokken.
Een exploitatievergunning kan worden ingetrokken:
a. indien is of wordt gehandeld in strijd met de verleende vergunning en/of de daaraan verbonden voorschriften of beperkende voorwaarden;
b. indien niet langer wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens deze verordening zijn bepaald;
c. indien in een horecabedrijf de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld;
d. indien de exploitant in een periode van twee jaar ten minste driemaal een persoon als leidinggevende heeft aangemeld, die achteraf niet aan de eisen voldoet zoals vermeld in artikel 2.3 negende lid;
e. op verzoek van de exploitant.
Er kan pas worden besloten tot intrekking van de vergunning op grond van het eerste lid, onder b, één maand nadat van het voornemen daartoe aan de vergunninghouder schriftelijk mededeling is gedaan tenzij de vergunninghouder zelf niet langer voldoet aan de eisen zoals bedoeld in artikel 2.2, vierde lid.