Artikel 4 van bijlage II Bor beschrijft de categorieën van gevallen waarvoor het college voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de wet kunnen verlenen.
Het Bor maakt in artikel 4 van bijlage II een onderscheid tussen gronden die binnen de bebouwde kom en die buiten de bebouwde kom liggen. Voor de gronden die binnen de bebouwde kom liggen biedt het Bor bijvoorbeeld voor bijbehorende bouwwerken (lid 1) meer mogelijkheden om van het bestemmingsplan af te wijken. Daarnaast is het voor de gronden binnen de bebouwde kom in meer gevallen mogelijk om af te wijken van het bestemmingsplan/beheersverordening voor planologische gebruiksactiviteiten (lid 9).
Bebouwde kom/buiten bebouwde kom
In artikel 4 lid 1 en 9 van bijlage II Bor wordt onderscheid gemaakt tussen binnen en buiten de bebouwde kom. Voor de uitvoering van deze bepalingen is het nodig om het begrip ‘bebouwde kom’ te concretiseren. Bij het bepalen van de bebouwde komgrens is uitgegaan van de ruimtelijke invalshoek en niet van de grens volgens bijvoorbeeld de Wegenverkeerswet.
Om te spreken van een bebouwde kom moet er sprake zijn van een op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing die geconcentreerd is tot een samenhangende structuur. Om onduidelijkheid tegen te gaan wordt de bebouwde kom in deze beleidsregels vastgelegd. De bestemmingsplannen “Landelijk Gebied Noordwijk”, “Buitengebied Noordwijkerhout”, “De Duinrand”, “Oosterduinse Meer” en “Reparatieplan Oosterduinse Meer” vallen buiten de bebouwde kom.
De overige bestemmingsplannen vormen de bebouwde kom.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.4