Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn bestemmingsplannen verplicht voor het hele grondgebied van een gemeente. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt aangegeven met welke onderwerpen rekening moet worden gehouden bij het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of bodemsanering. In artikel 3.1.6 Bro staat wel een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de gemeente bij de voorbereiding en ontwikkeling van een bestemmingsplan een onderzoeksplicht heeft naar verschillende aspecten die bij de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan een rol (kunnen) spelen. Het uitvoeren van een bodemtoets is één van die aspecten.
Analoog hieraan kan de noodzaak van bodemonderzoek zich voordoen bij procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing, artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op basis van de onderzoeksresultaten toetst de gemeente voor bestemmingsplannen, dan wel in het kader van de omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan of de bodem milieu-hygiënisch geschikt is (of kan worden gemaakt, inclusief financiële toets) voor de geplande vorm van bodemgebruik.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.1.