Het college kan een vergunning zoals bedoeld in artikel 5.2.3. eerste lid, van de APV verlenen voor het innemen van een standplaats gedurende een of meer dagen gedurende maximaal 6 aaneengesloten weken tijdens het winterseizoen elk jaar in de periode vanaf 15 november tot en met 7 januari.
Een vergunning voor een winterstandplaats wordt verleend voor de aangevraagde periode, met een maximumperiode van 5 jaar.
Ter bescherming van de openbare orde en openbare veiligheid is het aantal standplaatsen voor het winterseizoen beperkt. Een vergunning voor een standplaats tijdens het winterseizoen kan alleen worden verleend voor locaties zoals aangegeven in bijlage 2.
Op een aanvraag om een standplaatsvergunning tijdens het winterseizoen is de procedure opgenomen in hoofdstuk 4 van deze nadere regels van toepassing. Artikel 1.15, tweede lid, van de APV is niet van toepassing.
De bekendmaking zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, zal elk jaar in augustus worden gedaan voor het daaropvolgende winterseizoen.