Een gemeente kan (gedeeltelijk) uittreden wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat de colleges van ten minste tweederde van de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.
Bij het besluit regelt het algemeen bestuur de financiële gevolgen alsmede de overige gevolgen van de (gedeeltelijke) uittreding. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de (gedeeltelijk) uittredende gemeente de kosten draagt die het rechtstreekse gevolg zijn van de (gedeeltelijke) uittreding en dat de overige gemeenten geen financieel nadeel van de (gedeeltelijke) uittreding ondervinden.
Tenzij het algemeen bestuur anders besluit, kan (gedeeltelijke) uittreding plaatsvinden per 1 januari van het tweede jaar volgend op dat van het besluit van het algemeen bestuur, genoemd in lid 1.
Onder de geschillen omtrent de uitvoering of toepassing van een regeling als bedoeld in artikel 28 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, is steeds begrepen het geval, dat ter vergadering van het algemeen bestuur, bedoeld in lid 1, blijkt dat de colleges van ten minste tweederde van de deelnemende gemeenten niet instemmen met uittreding van een gemeente.