Een lid van het dagelijks bestuur treedt af als lid van dat bestuur op de dag, waarop de zittingsperiode eindigt van het college van burgemeester en wethouders waarvan het lid deel uitmaakt. Leden van het dagelijks bestuur blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het algemeen bestuur uit zijn midden een nieuw dagelijks bestuur heeft aangewezen.
Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur een nieuw lid aan. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan stelt het algemeen bestuur het aanwijzen van een nieuw lid van het dagelijks bestuur uit totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur wederom is bezet. Dit uitstel zal niet meer dan drie maanden mogen belopen.