De voorzitter, alsmede de eerste en tweede vice-voorzitter, worden door het algemeen bestuur in de eerste vergadering van elke zittingsperiode uit zijn midden aangewezen.
Indien en voor zover het algemeen bestuur niet in de vervanging heeft voorzien, is het dagelijks bestuur bevoegd uit zijn midden een lid aan te wijzen, dat tijdelijk in de vervanging voorziet.
De gemeente waarvan een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur tot voorzitter is benoemd, is bevoegd in diens plaats een extra lid van het algemeen bestuur aan te wijzen. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 ten aanzien van het einde van het lidmaatschap, eindigt het lidmaatschap van het extra lid, zodra het tot voorzitter aangewezen lid ophoudt de voorzittersfunctie te vervullen.
Het voorzitterschap eindigt, indien de betrokkene ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn. Alsdan voorziet het algemeen bestuur ten spoedigste in de vervanging.