Naar hoofdinhoud
1.. Belanghebbenden en het verwerend orgaan worden in de gelegenheid gesteld gehoord te worden door de voorzitter op een door hem te bepalen plaats en tijdstip. 2.. Het horen vindt zo veel mogelijk telefonisch plaats. 3.. De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de wet. 4.. De voorzitter beslist over de toepassing van artikelen 7:4, zesde lid, 7:5, tweede lid, en artikel 7:6, tweede en vierde lid, van de wet. 5.. Indien de commissie op grond van het derde lid besluit af te zien van het horen, doet zij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het verwerend orgaan. 6.. Artikelen 14 en 15 van de verordening zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel