De voorzitter kan in overleg met de vervoerder voorzieningen voor openbaar vervoer beëindigen
of beperken, indien deze voorzieningen niet of niet in voldoende mate voldoen aan de eis van
verwezenlijking van de beperkende maatregelen met betrekking tot het houden van 1,5 meter
afstand tussen alle in de voorziening aanwezige personen, of aan het op adequate wijze zichtbaar
duidelijk maken daarvan, mits de beëindiging van deze voorziening het transport van personen die werkzaam zijn in vitale processen of transport dat anderszins noodzakelijk is voor de mobiliteit van Nederland niet onnodig belemmert.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.6.