De gemeentelijke toegang kent een vaste procedure. Wij onderscheiden twee fases in deze procedure, te weten:
de melding en het onderzoek (zes weken);
het beoordelen van en beschikken op de aanvraag (twee weken).
In hoofdstuk 4 van de verordening is vastgelegd hoe de procedure rondom de toegang is geregeld. Wanneer een inwoner behoefte heeft aan ondersteuning kan hij of zij bij het Servicepunt WWZ of het wijkteam zijn vraag stellen. Dit is de melding. Een melding kan telefonisch, digitaal, schriftelijk of persoonlijk worden gedaan. Hiermee wordt (nog) geen aanvraag ingediend voor een individuele voorziening. Door middel van een korte vraagverheldering wordt door de professionals van het Servicepunt WWZ bepaald of de vraag doorgeleid wordt naar het wijkteam of andere voorliggende voorzieningen, of naar (de consulenten van) het Servicepunt WWZ.
In artikel 3.1 lid 4 van de verordening wordt gesproken over spoedeisende gevallen. Hieronder wordt verstaan: situaties met een verhoogd risico op ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige waarvoor het college zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 5 werkdagen, een voorziening treft. Acute onveiligheid valt niet onder spoedeisende gevallen; dit valt onder spoedhulp voortkomend uit een beoordeling door het crisis interventieteam (CIT) en kan na beoordeling direct worden ingezet.
In aanvulling op artikel 4.2 en 4.3 van de verordening is het volgende van toepassing: Het vooronderzoek en het gesprek (vanaf nu: het onderzoek) vormen de kern van de procedure.
De gemeente onderzoekt:
de aard en ernst van de opgroei- of opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen en/of de beperking;
de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige;
het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
de mogelijkheid om aanspraak te maken op een andere voorziening;
de mogelijkheid om de hulpvraag te beantwoorden door inzet van een algemene voorziening;
de mogelijkheid om een individuele voorziening te treffen en het beoogde doel daarvan;
de wijze waarop de individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
Hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;
Dat indien meerdere voorzieningen mogelijk zijn, de goedkoopst adequate voorziening wordt verstrekt;
Een goede afstemming tussen de zorgtaken van de ouder en de te verstrekken voorziening(en).
In het onderzoek wordt een eventueel opgesteld familiegroepsplan betrokken, als bedoeld in artikel 1.1 van de wet. In een familiegroepsplan beschrijft de jeugdige en/of ouders welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, wat zij zelf kunnen doen, wat zij met hulp van mensen uit hun omgeving kunnen doen, welke concrete doelen ze daarbij willen behalen en welke professionele hulp en ondersteuning zij daarbij nodig hebben. Het familiegroepsplan biedt gezinnen en hun netwerk de mogelijkheid om regie te voeren over de hulp die zij nodig hebben. De manier waarop zij het familiegroepsplan tot stand brengen staat vrij. Ook hoe het plan eruit ziet (de vorm) mogen gezinnen zelf bepalen. Het hoeft niet aan bepaalde criteria te voldoen. Gemeenten zijn verplicht gezinnen ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan.
Het (keukentafel)gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt ervan uit gegaan dat persoonlijk contact met cliënt plaatsvindt. Telefonisch contact valt hier ook onder. Het gesprek maakt deel uit van het onderzoek en noodzakelijk is dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. De afspraak voor het gesprek dient zo spoedig mogelijk na melding (maar binnen een termijn van twee weken) met cliënt en/of ouders te worden gemaakt.
Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 4.6 van deze verordening is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.
In artikel 4.4 van de verordening is geregeld dat het onderzoeksproces wordt vastgelegd in een verslag. In artikel 4.5 en 4.7 is geregeld hoe en wanneer een aanvraag kan worden gedaan en op welke wijze beschikt wordt. Een aanvraag kan ook zonder voorafgaand onderzoek worden ingediend. Indien nodig, stelt het college de cliënt in dat geval in de gelegenheid om onderbouwende informatie aan te leveren. Het college onderzoekt – indien nodig na professioneel oordeel - of de aanvraag in behandeling kan worden genomen of niet.
In artikel 4.5.2. wordt aangegeven dat de aanvraag ondertekend wordt voor akkoord of voor gezien. Dit is een belangrijk onderscheid, welke hieronder wordt toegelicht.
Ondertekening voor akkoord
Ondertekening voor akkoord betekent dat het verslag is gedeeld en dat er wordt begrepen wat er onder wordt verstaan. De jeugdige en/of ouder(s) is het eens met inhoud van het verslag en met de conclusie uit het onderzoek. Het verslag dient op dat moment tevens als aanvraagformulier voor de (eventueel) benodigde individuele voorziening.
Ondertekening voor gezien
Ondertekening voor gezien betekent dat het verslag is gedeeld en dat er wordt begrepen wat er onder wordt verstaan. De jeugdige en/of ouder(s) is het niet eens met de inhoud van het verslag en/of met de conclusie uit het onderzoek. Als de jeugdige en/of ouder(s) tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Ook als de jeugdige en/of gezaghebbende ouder(s) van mening is dat hij in aanmerking komt voor een (andere) individuele voorziening jeugdhulp, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Een verslag dat uitsluitend voor gezien is ondertekend, dient niet als aanvraagformulier. De gemeente neemt hiervoor contact op. Tijdens dit gesprek zal besproken worden wat de bezwaren zijn van de cliënt en kan het verslag hierop waar nodig worden aangepast. Mocht er geen overeenstemming komen tussen de gemeente en de cliënt over de inhoud van het verslag, dan wordt bepaald of de cliënt desondanks een aanvraagformulier voor een individuele voorziening wil ondertekenen. Op dat moment wordt een aanvraag gedaan en zal de gemeente overgaan tot een beschikking, waardoor eventueel bezwaar en beroep mogelijk gemaakt wordt.
Indien de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht (art. 2:3 AWB).
Beslistermijnen
De beslistermijn van de jeugdwet is gebaseerd op de termijnen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gemeente heeft na een aanvraag een beslistermijn van 8 weken. De procedure start op het moment dat de cliënt om hulp vraagt. De gemeente maakt binnen deze procedure onderscheid in twee fasen, zoals beschreven in hoofdstuk 3.2.
HOOFDSTUK 3
Artikel 3.2.