1. In afwijking van artikel 2 onder b kan het college afzien van terugvordering of van verdere
terugvordering van uitkering indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of
b. gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering gedeeltelijk aan zijn betalings-
verplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft
betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of
c. gedurende vijf jaar zonder dwanginvordering geen betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. in een bedreigende, problematische schuldsituatie in redelijkheid niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;
e. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de rest-som in één keer
aflost.
2. Het college besluit niet tot afzien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering, voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.
3. Een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen als de belanghebbende daarom
schriftelijk heeft verzocht of er wordt ambtshalve toe besloten.
4. De in lid 1 onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar, indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende, minus de aflossing die is gedaan ter nakoming van de
betalingsverplichting, in die periode de beslagvrije voet bedoeld in het tweede boek, de
tweede titel, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan.
HOOFDSTUK 2.
Artikel 5.
Afzien van terugvordering of van verdere terugvordering na het niet of gedeeltelijk voldoen aan de betalingsverplichting
Onderdeel van Beleidsregels Terug- en Invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2020