Met artikel 13b van de Opiumwet is er voor het bestuur een direct instrument voorhanden om de verkoop, de aflevering of de verstrekking dan wel de aanwezigheid van middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een halt toe te roepen. Het optreden op grond van dit artikel vindt immers plaats op grond van het enkele feit dat de Opiumwet wordt overtreden. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang ontstaat zodra verkoop, aflevering, verstrekking of de aanwezigheid van soft- of harddrugs zich in woningen of lokalen of daarbij behorende erven voordoet.
In tegenstelling tot artikel 174a van de Gemeentewet is het doel van artikel 13b van de Opiumwet dus niet het bestrijden van overlast als gevolg van handel in drugs. Weliswaar wordt tevens beoogd de met de handel in drugs gepaard gaande overlast tegen te gaan, doch heeft men primair willen bereiken dat met de invoering van dit artikel de burgemeester een direct instrument voorhanden heeft in de vorm van het toepassen van bestuursdwang om de handel in drugs te bestrijden. Verstoring van de openbare orde of vrees daartoe is derhalve geen voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft overigens bij herhaling geoordeeld dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid soft- en harddrugs in een woning of lokaal op zichzelf reeds het risico met zich meebrengt van negatieve effecten op de openbare orde.
Voorts speelt bijvoorbeeld de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokken exploitant van een illegaal verkooppunt of coffeeshop geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt4 ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:313. In de bestuursrechtelijke procedure hoeven ook geen strafrechtelijke bewijsregels in acht te worden genomen. Er kan worden uitgegaan van het feitencomplex dat naar voren is gekomen uit het proces-verbaal (of bestuurlijke rapportage) dat door de politie is opgemaakt5 ABRvS 18 juni 2003, ECLI:NL;RVS:2003:AG1738. Ook de uitkomst van een eventuele strafzaak is niet relevant voor de bevoegdheid van de burgemeester of voor het oordeel of de burgemeester in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken6 ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:313. Bovendien kan bij de toepassing van artikel 13b Opiumwet worden afgezien van een begunstigingstermijn. Het aantreffen van harddrugs en wapens wordt doorgaans gehonoreerd als een geval dat om onmiddellijke handhaving van de openbare orde vraagt, waardoor geen begunstigingstermijn hoeft te worden geboden.7 ABRvS 1 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO5701
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2.3