Naar hoofdinhoud
In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, exploitant, huurder, gebruiker, bewoner of een derde de overtreding heeft begaan. Zo is het risico dat een verhuurd pand op grond van artikel 13b Opiumwet wordt gesloten verbonden aan het verhuren van een pand 16 ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1976. Dat de verhuurder niet op de hoogte was van de drugshandel levert evenmin een bijzondere omstandigheid op die zou moeten leiden tot het oordeel dat de burgemeester van zijn beleid moet afwijken 17 ABRvS 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8721. Voor exploitanten van horeca of detailhandel geldt eveneens dat de omstandigheid dat de exploitanten geen wetenschap hebben van de aanwezigheid van drugs in het lokaal en hen geen verwijt treft, niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van het lokaal 18 Rb Haarlem 28 december 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BY8837. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Het is dus ook niet noodzakelijk dat een na een waarschuwing volgende overtreding door dezelfde persoon wordt begaan. Het bestuursrechtelijk optreden is niet persoonsgebonden maar pandgebonden. Een wijziging in de huursituatie of de eigendomsoverdracht van een pand wordt niet als relevant beschouwd indien dit wordt gerealiseerd nadat een overtreding van de Opiumwet geconstateerd is. De reden hiervoor is dat de verhuurder/eigenaar niet met het plaatsen van andere huurders of verkoop van de woning onder de genoemde last kan uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk de openbare orde rond het pand te herstellen, Het enkel plaatsen van nieuwe huurders of bewoners leidt niet tot het voorkomen van herhaling van een met de Opiumwet strijdige situatie.

Rechtspraak bij dit artikel