Uitgangspunt van het handhavingsbeleid is dat indien in lokalen dan wel in of bij lokalen behorende erven soft- en/of harddrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt van wel daartoe aanwezig zijn of indien sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen wordt opgetreden. Dit betekent concreet dat bij de eerste constatering van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet (softdrugs) in beginsel een schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd. Bij de eerste overtreding van artikel 2 van de Opiumwet (harddrugs) alsmede bij een volgende constatering van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet wordt direct overgegaan tot sluiting van het lokaal, voor een periode zoals opgenomen in tabel II, middels het toepassen van bestuursdwang.
De burgemeester hanteert het beleid dat bij een eerste constatering van de handel in softdrugs in of vanuit een lokaal dan wel in of op bij lokalen behorende erven, in beginsel wordt volstaan met een waarschuwing. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet is weliswaar opgenomen dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een lokaal dient te worden overgegaan, maar dit betreft volgens de Afdeling bestuursrechtspraak niet meer dan een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken. 28 ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388
Zo wordt in de rechtspraak algemeen aanvaard dat de aanwezigheid van een handelsvoorraad harddrugs in een lokaal in ieder geval als een ernstig geval kan worden aangemerkt. De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat bij een eerste constatering hiervan aan artikel 13b van de Opiumwet derhalve de bevoegdheid tot sluiting kan worden ontleend. Beleid waarin is opgenomen dat direct de sluiting van een lokaal wordt gelast bij het aantreffen van een handelsvoorraad harddrugs, zonder voorafgaande waarschuwing, is dan ook niet in strijd met voormeld uitgangspunt. 29 ABRvS 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1676
Hierbij merkt de burgemeester wel op dat sluiting van het lokaal, hoewel uitgangspunt van het beleid, niet altijd en onvermijdelijk het gevolg van de eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in het lokaal hoeft te zijn. De burgemeester wijst uitdrukkelijk op de bevoegdheid om op grond van artikel 4:84 Awb, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, in afwijking van dat beleid te volstaan met een minder vergaande maatregel dan sluiting.
Gelet hierop kan naar het oordeel van de burgemeester voldoende inhoud worden gegeven aan het uitgangspunt van de wetgever dat bij een overtreding zorgvuldig moet worden bezien of in plaats van sluiting van een lokaal met een waarschuwing of een daaraan soortgelijke maatregel kan worden voldaan.
Indien de burgemeester een lokaal sluit wegens de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs en in het lokaal is tevens een handelsvoorraad softdrugs aanwezig, dan heeft het besluit strekkende tot sluiting tevens te gelden als een waarschuwing.
Indien bij handel in softdrugs in lokalen (bij een eerste overtreding) zich een zodanig ernstige situatie voordoet dat niet met een waarschuwing of soortgelijke maatregel kan worden volstaan, wordt het desbetreffende lokaal onmiddellijk voor de duur van 6 maanden gesloten.
De integrale aanpak ten aanzien van handel in drugs in of bij lokalen kan schematisch als volgt worden weergegeven:
Overtreding Opiumwet
Gemeente
Verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs).
Na 1ste constatering: Waarschuwing op grond van artikel 13b van de Opiumwet, tenzij ernstige situatie: sluiting voor een periode van 6 maanden.
Na 2de constatering (binnen 2 jaar na 1ste): Sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor een periode van 12 maanden.
Na 3de constatering (binnen 2 jaar na 2e): Sluiting op grond van 13b van de Opiumwet voor een periode van 18 maanden.
Na 4de en volgende constatering (binnen 2 jaar na eerdere): Sluiting op grond van 13b van de Opiumwet voor een periode van 24 maanden
Verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs).
Na 1ste constatering: Sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor een periode van 12 maanden.
Na 2de constatering (binnen 2 jaar na de 1ste): Sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor een periode van 18 maanden.
Na 3de en volgende constatering (binnen 2 jaar na de eerdere): Sluiting op grond van 13b van de Opiumwet voor een periode van 24 maanden.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2