Naar hoofdinhoud
1.. Onverminderd artikel 2, artikel 10:3 en 10:7 van de Algemene wet bestuursrecht, blijft aan het college en de burgemeester voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van schriftelijke beslissingen, gericht tot: de raad; de Koning en andere leden van het Koninklijk Huis; de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onder-raad of commissie, ministers en staatssecretarissen; de voorzitters van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Ka-mer gevormde commissie; de vicepresident van de Raad van State; de president van de Algemene Rekenkamer; de Nationale Ombudsman, voor zover het correspondentie betreft ter zake van formele klachten; enig bestuursorgaan van een provincie; enig bestuursorgaan van een gemeente, waterschap, een hoogheemraadschap of een ge-meenschappelijke regeling. 2.. Voorts blijft aan het college en de burgemeester voorbehouden de bevoegdheid tot: het nemen van besluiten op bezwaar; het nemen van besluiten indien een intern of extern advies over de desbetreffende aan-gelegenheid niet overeenstemt met eerder uitgebrachte adviezen of indien het voorge-nomen besluit in afwijking is van wet- en regelgeving of vastgesteld beleid; het nemen van een besluit wanneer dit zou leiden tot een besluit van controversiële aard. Hiervan kan sprake zijn indien: de verantwoordelijke portefeuillehouder van oordeel is dat de aangelegenheid door het college of de burgemeester moet worden afgedaan, waarbij de portefeuillehou-der vooraf is geïnformeerd over de gevoelige kwestie, de aangelegenheid of het voor-genomen besluit; de aangelegenheid tot negatieve berichtgeving in de media heeft geleid, dan wel in verband met de aard van de aangelegenheid redelijkerwijs moet worden aangeno-men dat dit zal gebeuren; de aangelegenheid ingrijpende gevolgen kan hebben voor een groot aantal burgers, bedrijven, verenigingen of belangengroepen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel