Scherfvrij glas
1. Vanwege de hoogte van het groepsrisico moet binnen het explosieaandachtsgebied (0-200 meter vanaf het buitenste spoor) bij nieuwbouw, voor de volgende functies, scherfvrij glas worden toegepast:
i. Woonfuncties
ii. Bijeenkomstfuncties
iii. Celfunctie
iv. Gezondheidsfunctie
v. Andere industriefuncties
vi. Kantoorfuncties
vii. Logiesfuncties
viii. Onderwijsfunctie
ix. Sportfuncties
x. Winkelfuncties
En dus niet bij:
xi. Lichte industriefuncties
xii. Overige gebruiksfuncties
xiii. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
2. In het uitzonderlijke geval dat in het brandaandachtsgebied (0-30 meter vanuit de buitenste spoorstaaf) beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd dient ook scherfvrij glas te worden toegepast waarbij:
i. scherfwerking niet mag worden voorkomen door aan de buitenzijde van het glas aangebrachte folies;
ii. aangetoond moet worden dat de brandwerende eigenschappen niet de scherfwerking van het glas nadelig beïnvloeden en omgekeerd;
iii. beglazing moet voldoen aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
3. Het toe te passen scherfvrij glas moet bij een explosie letsel door scherfwerking voorkomen, rekening moet worden gehouden met;
i. een overdruk van 10 kPa;
ii. een ontwerpafstand van 80 meter; of zoveel meer als het gebouw is gelegen op een afstand meer dan 80 meter en minder dan 200 meter, gemeten loodrecht vanaf de buitenste spoorstaaf.
4. Voor de weerstand tegen explosies wordt aangesloten bij de NEN-EN 13541 “Veiligheidsglas – Beproeving en klasse-indeling van weerstand tegen explosiedruk” in de klasse ER1. Een gelijkwaardige alternatieve toepassing is eveneens toegestaan mits de initiatiefnemer aantoont dat het alternatief voldoet aan het beschermingsdoel zoals nagestreefd met klasse ER1 en de onderbouwing is goedgekeurd door burgemeester en wethouders van Tilburg.
5. Voor het berekenen van de luchtdruk op de beglazing wordt gebruik gemaakt van het rekenprogramma Safeti-NL dan wel Phast, waarbij:
i. voor transportdoeleinden wordt uitgegaan van de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart);
ii. bij inrichtingen en aangewezen buisleidingen wordt uitgegaan van de Handleiding risicoberekeningen Bevi (Hrb);
iii. bij een ontwerpafstand van 80 meter de overdruk 0,17 Bar (= 17 kPa) bedraagt;
iv. omgevingsreflecties van drukgolven bij de berekening niet beschouwd hoeven te worden en voor geveldelen die ‘zicht hebben’ op het spoor, moet de overdruk met een factor 2,5 verhoogd worden.
6. In afwijking van het bepaalde onder 1 hoeft scherfvrij glas niet te worden toegepast indien initiatiefnemer aantoont dat:
i. ter plaatse van de beglazing de overdruk minder bedraagt dan 10 kPa;
ii. het glas bij een incident geen scherfwerking in de achterliggende ruimte heeft;
iii. de achterliggende ruimte geen bescherming behoeft tegen scherfwerking omdat
iv. personen er slechts zeer kortstondige verblijven en er geen sprake is van een
v. vluchtroute;
7. Bij het toepassen van scherfvrij glas is de toepassing van aardgas niet toegestaan.
8. De informatie van de in de buitengevel toe te passen beglazing bevat een certificaat waaruit blijkt dat aan deze beleidsregels wordt voldaan.
Dakbedekking
9. In het explosieaandachtsgebied (afstand van 0 - 200 meter vanaf de buitenste spoorstaaf) mag op platte daken geen gebruik worden gemaakt van losliggend hard dakbedekkingsmateriaal, zoals grind als afdeklaag. Aaneengesloten tegelverharding, sedumdaken of vergelijkbare toepassingen zijn wel toegestaan.
10. Toepassing van losliggend hard afdekkingsmateriaal is wel toelaatbaar mits is aangetoond dat de grindlaag op het dak voldoende is afgeschermd tegen de drukgolf.
Vluchten
11. Vluchttrappen worden inpandig geplaatst.
12. In afwijking van het bepaalde onder 11 zijn vluchttrappen uitpandig toegestaan, mits:
i. de gevel van het spoor is afgekeerd;
ii. de vluchtroute van het spoor wordt afgeschermd door de gevel van het gebouw.
13. De capaciteit van vluchtroutes en vluchtdeuren aan de spoorzijde van een gebouw moet gecompenseerd worden aan een van het spoor afgeschermde zijde van het gebouw.
14. Verzamelplaatsen moeten:
i. aan de van het spoor afschermde zijde van het gebouw gelegen zijn;
ii. de capaciteit hebben om de gehele populatie van het gebouw te verzamelen.
Schuilen in gebouwen
15. Mechanische ventilatie dient centraal afschakelbaar te zijn.
Inrichting openbare ruimte
16. Bij de (her)inrichting van de openbare ruimte langs het spoor dienen onderstaande maatregelen getroffen te worden om verspreiding van vloeistoffen tegengaan, of andere maatregelen met een aantoonbaar vergelijkbaar effect:
i. de openbare ruimte op afschot leggen, naar een afvangvoorziening;
ii. bij de voet van het hoogspoor een geul met ballast realiseren waarin de vrijkomende vloeistof geborgen wordt;
iii. de vloeistof in de riolering terecht te laten komen, waarbij een incidentplan voor de riolering opgesteld dient te worden waarin de mogelijke scenario’s voor verdere verspreiding via het rioolsysteem zijn beschreven en beheersmaatregelen zijn opgenomen.
Organisatorische aspecten
17. De instructies van de BHV-organisatie tevens instructies bevatten omtrent de volgende scenario’s:
i. brand buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 50 meter);
ii. explosie (Bleve) buiten het gebouw (op een afstand van 30 tot 300 meter);
iii. gifwolk
18. De instructies moeten ingaan op:
i. de organisatie, taakverdeling en onderlinge communicatie van de BHV bij dit type scenario’s;
ii. de wijze van communicatie met hulpdiensten;
iii. de criteria wanneer te vluchten dan wel te schuilen bij een (dreigend) incident;
iv. de wijze waarop aanwezigen in het gebouw geïnformeerd worden over de van hun verlangde handelswijze;
v. de vluchtroutes die bij een (dreigend) incident met gevaarlijke stoffen beschikbaar zijn;
vi. de locaties van verzamelplaatsen buiten het gebouw die geschikt zijn om te verzamelen na een incident met gevaarlijke stoffen;
vii. de wijze waarop de mechanische ventilatie bij een brand- en gifwolkscenario wordt afgezet, ramen en deuren worden gesloten en de luchtcirculatie binnen het gebouw wordt geoptimaliseerd;
viii. het beleid bij buitendeuren om bij een incident personen naar binnen of buiten te laten gaan;
ix. de wijze van samenwerking met BHV-organisaties van naastliggende panden ten tijde van een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen;
x. het moment van activeren van de mechanische ventilatie na het incident met gevaarlijke stoffen en – indien de personen uit een gebouw geëvacueerd zijn – het moment van betreden en herstart van het gebruik van het gebouw door het personeel.
19. De instructies moeten binnen drie maanden na ingebruikname van het gebouw, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Eventuele op- en aanmerkingen door het bevoegd gezag moeten binnen een maand zijn verwerkt, waarna de instructies geïmplementeerd moeten zijn. Burgemeester en wethouders kunnen de Veiligheidsregio om advies vragen ten aanzien van de beoordeling van de instructies.
Hoofdstuk
Artikel 3.2
Voldoende beschermingsniveau
Onderdeel van beleidsregel Externe veiligheid bij bestemmingsplan Spoorzone 2019