**1..** De boete bedraagt, behoudens het bepaalde in artikel 6, maximaal het benadelingsbedrag als gevolg van schending van de inlichtingenplicht met inachtneming van het bepaalde in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht.
**2..** Het college bepaalt de boete:
naar evenredigheid van de omstandigheden van belanghebbende met toepassing van de bepalingen in het Boetebesluit Sociale zekerheidswetten, en
naar de financiële omstandigheden, waaronder het vermogen, van belanghebbende als bedoeld in het derde en vierde lid.
**3..** De fictieve draagkracht bedraagt bij een uitkering of ander inkomen, waarvan de hoogte bekend is, de financiële ruimte boven 90% van de toepasselijke bijstandsnorm op het moment van opleggen van de boete x het aantal maanden gebaseerd op de mate van verwijtbaarheid, te weten bij:
opzet 24 maanden
grove schuld 18 maanden
normale verwijtbaarheid 12 maanden
verminderde verwijtbaarheid 6 maanden.
De belanghebbende heeft aantoonplicht inzake zijn financiële situatie.
**4..** Indien ten tijde van het opleggen van de boete blijkt dat er bij belanghebbende sprake is van aangetoond vermogen boven de € 1.000,00, dan kan er ten behoeve van de afstemming van de boete op grond van het tweede lid, van uitgegaan worden dat het aangetoonde vermogen, dat voornoemd bedrag overschrijdt, geheel beschikbaar is om de boete te voldoen. Het deel van de boete dat niet voldaan kan worden uit het vermogensdeel kan op grond van het derde lid worden afgestemd;
**5..** Indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete (ook) andere inkomsten heeft dan een uitkering en géén medewerking verleent om inzicht te bieden in de hoogte van de inkomsten, dan wordt de boete uitsluitend op grond van het eerste lid en het tweede lid onder a berekend;
**6..** Indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete een voorziening heeft op grond van de IOAW of de IOAZ, dan wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de bijstandsnorm die op belanghebbende van toepassing zou zijn indien belanghebbende een uitkering op grond van de Pw zou ontvangen.
**7..** Indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete in een inrichting verblijft, zoals bedoeld in artikel 23 van de Pw, dan wordt de boete vastgesteld op 10% van dat normbedrag x het toepasselijke aantal maanden uit het derde lid.
**8..** Indien belanghebbende geen inkomen heeft of het inkomen bedraagt minder dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm, dan wordt uitgegaan van een bedrag van € 45,00 x het toepasselijke aantal maanden uit het derde lid.
HOOFDSTUK 2
Artikel 4.