Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.5.2

Handbewogen rolstoelen.

Onderdeel van Beoordelingskader Hulpmiddelen, woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen

Kinderen met een redelijke handfunctie zijn al op zeer jonge leeftijd in staat zich per rolstoel voort te bewegen. In grote lijnen kan men zeggen dat vanaf het moment dat kinderen kunnen lopen gehandicapte kinderen zich zelfstandig per rolstoel kunnen verplaatsen. Het gebruik van een rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind. Zelf kunnen rondrijden in een rolstoel biedt het kind uitdagingen en stimuleert het om zelfstandig te worden en zoveel mogelijk mee te doen met leeftijdsgenootjes. De criteria voor verstrekking van een handbewogen rolstoel aan kinderen komen overeen met de criteria die genoemd zijn in het hoofdstuk handbewogen rolstoelen. Er wordt van uitgegaan dat de rolstoel bij verstrekking de vervanging vormt van een eerder verstrekte wandelwagen. Bij de keuze van een handbewogen rolstoel aan kinderen zijn naast de gebruikelijke factoren als gebruiksdoel en gebruiksgebied een aantal specifieke factoren van belang: de rolstoel dient een alternatief te zijn voor het zelfstandig verplaatsen op het ontwikkelingsniveau van het kind. Er wordt b.v. van uitgegaan dat het kind, zittend in de rolstoel op ooghoogte van leeftijdsgenootjes zit; de rolstoel moet licht te bedienen zijn, goed wendbaar en tegen een stootje kunnen; immers de rolstoel is voor een kind naast een verplaatsingsvoorziening ook een middel om spelend de wereld te verkennen; de rolstoel moet goed passend zijn en tegelijkertijd de mogelijkheid in zich hebben om in eniger mate te kunnen meegroeien met het kind; de rolstoel moet meeneembaar zijn binnen de vervoersmogelijkheden van het gezin.

Rechtspraak bij dit artikel