Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.
Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Rhenen 2020.
De raadsgriffier
De voorzitter
Ir. C.A.M. Apell
Drs. J.A. van der Pas
Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 8
Afschrijvingsbeleid
Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen.
Voor activering kan gebruik gemaakt worden van de componentenbenadering. De afschrijving start in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname.
Op de (im)materiële vaste activa wordt jaarlijks lineair afgeschreven volgens onderstaande termijnen tot restwaarde nul. Hier kan beargumenteerd van worden afgeweken.
Gronden en terreinen
o Gronden met een maatschappelijk nut: N.v.t.
o Gronden met een economisch nut: N.v.t.
Woonruimten, bedrijfsgebouwen
o Gebouwen: 40-60
o Zoutsilo’s gemeentewerf: 20
o Semi-permanente bouw (noodlokalen): 15
o Verbouwingen (renovatie en restauratie) 20 t/m 40
o Woonwagens: 25
o Wijkunits: 10
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken:
o Riolering: telemetrie: 15
o Riolering: drukriolering: 40
o Riolering: vrijvervalriolering: 60
o Pompen en gemalen riolering: 12
o Wegreconstructies incl. verkeersmaatregelen, rotondes e.d.: 20 t/m 40
o Sportvelden: 20
o Overige velden en terreinen: 15 t/m 30
o Renovatie velden en terreinen: 10 t/m 20
o Speelvoorzieningen (aanleg, verbetering, aanpassing): 10
o Groenvoorziening (aanleg, verbetering, aanpassing): 20
o Kunstwerken*: 20
o Uitbreiding begraafplaatsen: 40
Vervoermiddelen:
o Veegmachine: 7
o Vrachtauto met haakarm: 6
o Personenauto: 7
o Kraakperswagen incl. belading: 7
o Plantsoenenauto: 5,6
o Wijkauto’s (vliegende brigade): 7,8
o Tractor: 8,9
o Shovel: 10
o Maaier, kooimaaier: 7,8
o Chasis t.b.v. 1-8: 6
o Groot materieel brandweer: 15
o Personeels/materieel voertuig brandweer: 7
o Hulpverleningsvoertuig brandweer: 6
o Overige vervoermiddelen: 7
Machines, apparaten en installaties
o Technische installaties: 15 t/m 20
o Telefooncentrale: 8
o Kantoor- en huishoudelijke apparatuur: 5 t/m 10
o Watertank: 10
o Sneeuwploeg, zoutstrooier: 9
o Aanhanger: 9
o Verrijdbare afzetting: 10
o Beregeningshaspel: 10
o Grafdelfmachine: 9
o Combi veeg verticuteermachine: 7
o Rolbezem: 6
o Voorlader: 9
o Armklepelmaaier: 7
o Watertank: 10
o Freesmachine: 6
o Bodemverluchter: 9
o Hefbrug: 20
o Overige machines en werkmaterieel: 5 t/m 10
Overige materiële vaste activa
o Hekwerken, afrasteringen, ballenvangers e.d.:15,3
o Meubels en inventaris: 10
o 1e inrichting onderwijs: 10
o Leer- en hulpmiddelen: 10
o Buiteninventaris (speeltoestellen en voorzieningen): 10
o Automatisering (hardware en software): 5
o (Mini)containers: 15
Immateriële vaste activa:
o Onderzoek en planvorming (toe te rekenen aan een vast actief): 5
o Onderzoek en planvorming (niet toe te rekenen aan vast actief): 1
Toelichting op de artikelen
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepaling
Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 19 van de verordening.
Het begrip deelprogramma is gedefinieerd ten behoeve van de artikel 2, 3, 6 en 20 van de verordening.
Het begrip organisatorische eenheid is gedefinieerd ten behoeve van artikel 20 van de verordening.
Het begrip overheidsbedrijf is gedefinieerd om in de artikelen 11, 12 en 13 van de verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.
Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording
Artikel 2. Programma-indeling
Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de (deel)programma’s kan door de raad worden gewijzigd en vastgesteld. Het tweede lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het derde lid bepaalt dat de raad bij aanvang van een nieuwe raadsperiode kan aangeven welke paragrafen hij nog meer wenst. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid. Tot slot bepaalt het vierde lid dat met het vaststellen van de eerste programmabegroting in een raadsperiode de indeling van de (deel)programma’s en de beleidsindicatoren is vastgesteld zodat dit niet altijd separaat hoeft te worden vastgesteld.
Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting en de jaarstukken. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten (inclusief de mutaties reserves), de reserves en voorzieningen en de investeringen onder de programma’s in de begroting per deelprogramma worden weergegeven. In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken.
Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt. In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.
De commissie BBV beveelt ten slotte aan om een grensbedrag op te nemen in de verordening vanaf welke omvang incidentele lasten en basten afzonderlijk gespecificeerd dienen te worden.
Artikel 4. Kaders begroting
Dit artikel bepaalt, dat het college vooraf aan het opstellen van de begroting een nota aanbied, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders en uitgangspunten (inclusief investeringen) voor de komende jaren zijn vastgelegd. Op grond van artikel 189 Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. Met het vaststellen van deze uitgangspunten geeft de raad in een vroegtijdig stadium kaders aan het college voor de invulling van de begroting voor het komende jaar.
Artikel 5. Autorisatie begroting
Dit artikel bevat nadere regels voor de autorisatie van de baten en lasten (inclusief mutaties reserves) van de begroting en investeringskredieten. De financiële autorisatie vindt plaats op programmaniveau.
Lid 2 geeft aan dat er onderscheid gemaakt wordt tussen nieuwe investeringen die bij de begroting door de raad worden vastgesteld en investeringen waarbij het college de raad een voorstel doet voor toekomstige autorisatie. Daar waar hier gesproken wordt over investeringen kan het zowel gaan om het vaststellen van een voorbereidingskrediet als een uitvoeringskrediet. Op deze manier kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Een bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Lid 3 geeft aan wanneer het college de raad informeert.
Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages (vierde lid).
Voor investeringsvoornemens die gedurende het begrotingsjaar op tafel komen regelt lid vijf de autorisatie. Dit geldt ook voor investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien. Daarnaast draagt dit lid aan het college op bij omvangrijke investeringen aan te geven wat het effect op de schuldpositie van de gemeente is.
In de kadernota rechtmatigheid 2018 adviseert de commissie BBV om regels in de verordening op te nemen om vast te leggen hoe de organisatie om gaat met het
verschuiven van budgetten over de jaren heen. Dit kan ontstaan bij specifieke exploitatiebudgetten die aan het einde van het jaar te maken hebben met onderbesteding. Lid 6 bepaalt dat deze budgetten in een bestemmingsreserve kunnen worden opgenomen en kunnen worden aangewend in het eerste jaar na overheveling.
Artikel 6. Tussentijdse rapportage
Op basis van de tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van beleid. Het eerste lid bepaald dat er minstens één tussentijdse rapportage is.
Lid twee bepaald dat de bij deze tussenrapportages de (deel)programmaindeling gelijk is aan de indeling van de begroting. In de rapportages wordt het saldo van de afwijkingen van de baten en lasten op deelprogramma niveau toegelicht. Hier worden de afwijkingen bedoeld tussen de realisatie en de gewijzigde begroting.
Artikel 7. EMU-saldo
Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Gemeenten krijgen van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. In dit geval moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken. Als hierop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Hoofdstuk 3. Financieel beleid
Artikel 8. Waardering en afschrijving vaste activa
De verordening moet volgens artikel 212, lid 2, Gemeentewet in elk geval regels bevatten voor waardering en afschrijving van activa. Het BBV (artikel 59 tot en met 65) stelt hier regels voor. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening.
Artikel 9. Voorziening voor oninbare vorderingen
Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Vorderingen worden (individueel) beoordeeld op oninbaarheid.
Artikel 10. Reserves en voorzieningen
Het college toets de beleidsnota over reserves en voorzieningen minstens eens in de vier jaar of wijzigingen nodig is. Andersom kan de raad het college verzoeken om met een voorstel tot wijziging te komen De raad stelt deze nota vast. Lid 2 bepaalt dat er bij het instellen van een nieuwe reserve inzicht moet worden gegeven in een aantal onderdelen om zo te voorkomen dat bestemmingsreserves op de balans te blijven staan zonder dat er nog een investeringsvoornemen bestaat. Hiervoor is ook de bepaling in lid 3 opgenomen dat een reserve bij het overschrijden van de maximale looptijd opnieuw wordt getoetst.
Artikel 11. Kostprijsberekening
Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs.
Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.
Het eerste lid van artikel 11 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen of de omslagrente voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.
Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen en reserves voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, maar ook de leges, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.
Het derde lid gaat over de kostenverdeelsleutel voor toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden. Dit wordt jaarlijks in de nota conform artikel 4 lid 1 vastgelegd.
Het vierde lid van artikel 11 geeft aan dat de berekeningswijze van de omslagrente voor het toerekenen van de rente aan de kostprijs voor de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van activa wordt vastgesteld bij de nota conform artikel 4 lid 1.
Het vijfde lid van artikel 11 bepaalt, dat in de kostprijs van vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties geen rente over de inzet van reserves en voorzieningen wordt meegenomen. Die rente wordt door de rijksbelastingdienst niet als kosten geaccepteerd.
In het zesde lid wordt de mogelijkheid geboden om naast de in lid 4 en 5 genoemde rentepercentage een afwijking toe te passen.
Artikel 12. Prijzen economische activiteiten
Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.
Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Dit artikel bepaald dat dit enkel kan wanneer dit vooraf in een raadsbesluit is vastgelegd.
Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt.
Het vaststellen van prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, diensten of werken die niet vallen onder artikel 229 Gemeentewet, is een privaatrechtelijk besluit. Deze besluiten zijn een bevoegdheid van het college, maar hebben wel invloed op de hoogte van de inkomsten en raken daarom ook het budgetrecht van de raad. Het tweede lid bepaalt dat het college eens in de vier jaar de nota met daarin de kaders voor de te hanteren prijzen, huren en tarieven voor erfpacht toetst. De raad stelt deze nota vast. Het derde lid bepaalt dat tussentijdse wijzigingen van besluiten voor het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen die afwijken van de kaders uit de nota vooraf ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden.
Artikel 14. Financieringsfunctie
Uitvoering van beleid inzake de financieringsfunctie vindt plaats conform de criteria en richtlijnen zoals genoemd in het Treasurystatuut.
Hoofdstuk 4. Paragrafen
Het BBV geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid ten minste moet staan. De raad kan bepalen om ook over aanvullende zaken in de paragrafen van de begroting en jaarrekening te worden geïnformeerd. Hier is in de voorliggende verordening geen sprake van. Wel is opgenomen welke beleidsnota’s door het college ter vaststelling aan de raad worden aangeboden.
Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer
Artikel 19. Administratie
In dit artikel zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten doen.
Artikel 20. Financiële organisatie
Dit artikel geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie. Volgens artikel 160 lid 1a, Gemeentewet is het college bevoegd regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente. Dit artikel geeft een opsomming op welke van de terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. In dit artikel van de verordening wordt het college opgedragen om bepaalde van deze regels die de financiële organisatie betreffen, vast te leggen in besluiten.
Artikel 21. Interne controle
Dit artikel draagt het college op om maatregelen te treffen op het gebied van de interne beheersing van de organisatie.
Hoofdstuk 6.
Artikel 23.
Inwerkingtreding en citeertitel
Onderdeel van Gemeente Rhenen - Financiële verordening 2020 gemeente Rhenen