**1..** De aflossingscapaciteit is afhankelijk van het inkomen en bij een fraudevordering ook afhankelijk van het vermogen van belanghebbende:
bij een inkomen dat ten hoogste gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt de aflossingscapaciteit 5% van dat inkomen, met dien verstande dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet, tenzij redelijkerwijs verwacht kan worden dat belanghebbende vanwege zijn vaste lasten niet in staat is om aan deze aflossing te voldoen;
bij een inkomen dat hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt de aflossingscapaciteit 5% van de toepasselijke bijstandsnorm vermeerderd met 50% van het meerinkomen, tenzij redelijkerwijs verwacht kan worden dat belanghebbende vanwege zijn vaste lasten niet in staat is om aan deze aflossing te voldoen;
wanneer het teruggevorderde bedrag hoger is dan € 5.000,00 dient belanghebbende bij een vermogen dat twee keer zo hoog is als het teruggevorderde bedrag, de vordering direct in zijn geheel of versnelt af te lossen.
**2..** In afwijking van lid 1 onderdeel b geldt voor vorderingen in verband met schending van de inlichtingenplicht dat wordt afgelost met het volledige inkomen dat meer bedraagt dan de beslagvrije voet, tenzij redelijkerwijs verwacht kan worden dat belanghebbende niet in staat is om aan deze aflossing te voldoen. Wordt aan de belanghebbende uitkering verstrekt dan wordt de vordering met die uitkering verrekend. Indien het betreft verrekening van een boete na recidive dan is de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Diemen 2013 van toepassing.
**3..** In afwijking van lid 1 kan belanghebbende verzoeken de vordering met een lager bedrag af te lossen, mits de vordering hiermee binnen 36 maanden zal zijn afgelost.
Hoofdstuk 2
Artikel 9
- Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit
Onderdeel van Beleidsregels en uitvoeringsvoorschriften terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ