Naar hoofdinhoud
1.. Gaat een leerling naar een school volgens artikel 20, dan kent het college aan de ouders een vervoersvoorziening toe in de vorm van aangepast vervoer als: aanspraak bestaat op een vergoeding volgens artikel 21 en de leerling met het openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer minimaal kan worden gehalveerd; aanspraak bestaat op een vergoeding volgens artikel 21 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij het college vindt dat de leerling onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op een vergoeding volgens artikel 21 en de ouders aan het college hebben aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is, of tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of een leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap, volgens het college, niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. 2.. Als begeleiding in het aangepast vervoer nodig is, dan vergoedt het college alleen de vervoerskosten die nodig zijn voor de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel