Lid 1
De dienstreizen dienen in de regel met openbare vervoermiddelen dan wel met de door de werkgever beschikbaar gestelde vervoersmiddelen te worden gemaakt.
Lid 2
Als de dienstreis niet of niet op doelmatige wijze per openbaar vervoer of met de door de werkgever beschikbaar gestelde vervoersmiddelen kan worden gemaakt, kan de medewerker gebruik maken van een eigen vervoermiddel.
Lid 3
De plaats van tewerkstelling wordt als begin- en eindpunt van de dienstreis aangemerkt.
Lid 4
Reiskosten voor woon-/werkverkeer worden niet aangemerkt als dienstreis.