Naar hoofdinhoud
Handel in drugs en de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs hebben een nadelig effect op de openbare orde. Om die reden wordt, bij het toepassen van bestuursdwang op grond van 13b Opiumwet, deze bevoegdheid altijd uitgeoefend in de vorm van een onmiddellijke sluiting. Bestuursdwang in de vorm van een onmiddellijke sluiting wordt toegepast bij handel in middelen als bedoeld in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) behorende bij de Opiumwet. Het toepassen van bestuursdwang op grond van 13b Opiumwet is erop gericht de handel in of vanuit een woning te beëindigen en beëindigd te houden. Bij de beoordeling of er sprake is van een handelshoeveelheid gaat de burgemeester uit van de richtlijnen van het College van procureurs-generaal en het vervolgingsbeleid van het parket Amsterdam 1 Aanwijzing Opiumwet 2015A003, gepubliceerd op 27 februari 2015, in werking getreden op 1 maart 2015, Staatscourant, 27 februari 2015, nr. 5391. . Bij het aantreffen van een kleine handelshoeveelheid in een woning wordt gekeken of er indicaties zijn dat er sprake is van drugshandel of andere verzwarende omstandigheden. Bij een grote hoeveelheid drugs kan de hoeveelheid op zichzelf voldoende zijn om de conclusie te trekken dat het aannemelijk is dat er sprake is van drugshandel. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen, niet vereist dat de drugs daadwerkelijk is verhandeld. Uit het woord ‘daartoe’ leidt de Afdeling af dat de enkele aanwezigheid van de drugs ten behoeve van de verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid tot sluiting verschaft. Met andere woorden: met het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs is de verstoring van de openbare orde gegeven en hoeft dit niet door middel van feiten of omstandigheden te worden aangetoond

Rechtspraak bij dit artikel