In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de Awb en het moment van vaststelling van naheffingsaanslagen.
Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.
Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum.
Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de naheffingsaanslag.
Bijlage bij besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M
Artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet
Artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet
Zie artikel 236, tweede lid, Gemeentewet en artikel 30, zesde lid, Wet WOZ).
U kunt hier ook uw eigen beleid maken en ervoor kiezen de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen uitdrukkelijk wel van toepassing te verklaren. Bijvoorbeeld op beroepen bij het college bij weigering van kwijtschelding. Vanzelfsprekend bent u aan uw eigen beleidsregels gebonden.
De eisen waaraan een dwangbevel moet voldoen zijn genoemd in artikel 4:122 Awb. Deze eisen gelden in aanvulling op de eisen die de Awb en Rv in het algemeen stellen aan het dwangbevel en de bekendmaking ervan.
Met ingang van 1 juli 2009 is onderdeel 14.1 uit de Rijksleidraad verwijderd. Of dit door de lokale belastingdiensten gevolgd moet worden is de vraag. Vele lokale belastingdiensten hebben (nog) geen (werk)instructie Invordering voor de medewerkers die op een of andere wijze bij de uitvoering van het invorderingsproces zijn betrokken. De Rijksbelastingdienst heeft deze wel. De tekst die in onderdeel 14.1 is opgenomen is de tekst van de Rijksleidraad zoals die luidde per 1 januari 2009.
Let op: als de invordering wordt toegepast met artikel 15, eerste lid, aanhef, of onderdeel a of b, van de wet is betekening van een dwangbevel door terpostbezorging niet mogelijk.
Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus te veel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.
Het college kan een regeling vaststellen waarbij de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de wet (de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990) niet, dan wel gedeeltelijk van toepassing is verklaard. De gemeente heeft de bevoegdheid zelfstandig regels te stellen voor de, bij de berekening van de invorderingsrente, toe te passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente die een bepaald bedrag niet te boven gaat. In artikel 5 van de Model Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen is de ministeriële regeling van overeenkomstige toepassing verklaard.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de 1e dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2020
Bij de inwerkingtreding van dit besluit vervallen alle oude met betrekking tot invordering van belastingaanslagen vastgestelde beleidsregels.
Dit besluit wordt aangehaald als ‘Wijziging leidraad invordering gemeentelijke belastingen 2020’.
Artikel 80
Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen