Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 2.

Artikel 5.

Aanvraag

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp gemeente Oldebroek 2020

1.. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een jeugdige of ouder schriftelijk worden ingediend bij het college, of de daartoe gemandateerde organisatie. 2.. Als een maatwerkvoorziening in natura niet passend wordt geacht, kunnen de jeugdige of zijn ouders in de aanvraag vermelden een persoonsgebonden budget te wensen. Daarbij geven de jeugdige of zijn ouders in een ondersteuningsplan in ieder geval aan: wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten; wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en; waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 3.. Indien jeugdhulp wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 6 lid 4 of in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, kan door of namens de jeugdige of zijn ouders een aanvraag voor een pgb worden ingediend als het natura-aanbod niet passend wordt geacht. Bij die aanvraag, in de vorm van een ondersteuningsplan, moet in ieder geval worden aangegeven: wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten; wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en; waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders. 4.. Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft. 5.. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: die jonger is dan 12 jaren, of; die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. 6.. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. 7.. Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige met de leeftijd van 16 of 17 jaar, dan behoeft de aanvraag géén instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, mits de jeugdige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zaken. 8.. Degenen die een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening, verstrekken het college of de daartoe gemandateerde organisatie in ieder geval een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 9.. Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; voor zover het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 10.. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een maatwerkvoorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel