Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan éénjaar vóór
constatering door het college van die gedraging heeft
plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
gedraging ten onrechte bijstand is verleend;
een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de
betreffende gedraging heeft plaatsgevonden;
Het college kan afzien van een maatregel, en volstaan met een
waarschuwing indien het verstrekken van onjuiste, onvolledige of
niet tijdige inlichtingen geen gevolgen heeft voor de
bijstand.
Geen waarschuwing wordt gegeven wanneer het niet of niet
behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting plaatsvindt binnen een periode van 12
maanden te rekenen vanaf de datum waarop een eerdere waarschuwing of maatregel is
gege- ven of opgelegd.
Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden die
het rechtstreeks gevolg van een als verwijtbaar aan te merken
gedraging zijn geen dringende redenen.
Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk 1
Artikel 7.
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelverordening Ioaw/Ioaz