Naar hoofdinhoud
1.. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de leerling gedurende het verblijf van de leerling in het (aangepast) vervoer berust bij de ouder(s). 2.. In geval van wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer, kan het college besluiten de verstrekte vervoersvoorziening te wijzigen, op te schorten dan wel in te trekken. 3.. Het college kan bij de verstrekking van het recht op een vervoersvoorziening of daarna, indien naar het oordeel van het college de noodzaak daartoe gebleken is, nadere voorwaarden of verplichtingen opleggen. Indien niet voldaan wordt aan de opgelegde nadere voorwaarde(n) of verplichting(en), wordt het recht op de vervoersvoorziening beëindigd.

Rechtspraak bij dit artikel