Naar hoofdinhoud
Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt (ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362/ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738). De enkele ontkenning dat de drugs bestemd waren om te worden verhandeld is daartoe onvoldoende (ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365.) Met andere woorden, er is sprake van een omgekeerde bewijslast. Ook panden waarin geen handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, maar waarvan het aannemelijk is dat deze gebruikt worden ten behoeve van de productie en/of handel in drugs, kunnen worden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet (ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1138). Sinds 1 januari 2019 is de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester uitgebreid. Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 Opiumwet (harddrugs) of artikel 11a Opiumwet (softdrugs) voorhanden is. Voortaan kan een pand dus ook gesloten worden als er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Hierbij moet worden gedacht aan de aanwezigheid van voorwerpen en/of stoffen die bestemd zijn voor het telen en bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën, versnijdingsmiddelen, voedingsmiddelen of een drugslab.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel