Een illegaal productie- en/of verkooppunt van verdovende middelen kan een woning of een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal betreffen. Aangezien het huisrecht op grond van artikel 8 EVRM beschermd wordt, is voor woningen een zwaardere motivering vereist dan nodig is voor lokalen. Er is, naast hetgeen hiervoor is gesteld, een aantal zwaarwegende argumenten om ook bij woningen direct tot sluiting over te gaan:
de desbetreffende woningen worden vaak niet als zodanig gebruikt;
er is sprake van bedrijfsmatige activiteiten;
ter voorkoming van het verplaatsingseffect. Bij een niet gelijke toepassing van de sluitingssystematiek, zal een nog sterkere verplaatsing naar woningen gaan plaatsvinden, met alle negatieve gevolgen van dien, zoals verloedering van de woonomgeving, op steeds meer plaatsen in de stad.
Toepassing van artikel 13b Opiumwet bij woningen levert geen strijd op met art. 8 van het EVRM. Ingevolge het tweede lid van artikel 8 EVRM zijn inmengingen van enig openbaar gezag in de uitoefening van het in het eerste lid neergelegde recht toegestaan, voor zover deze bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, onder meer, het voorkomen van strafbare feiten of het beschermen van de rechten van anderen. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet en derhalve bij de wet voorzien. Dit ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van de rechten van anderen (ABRvS, 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4412/ABRvS, 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2423).
Artikel 1.5.8