Naar hoofdinhoud
1.. Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen kalenderjaar met alle bijbehorende bescheiden jaarlijks voor 1 april ter voorlopige vaststelling aan het algemeen bestuur aan, onder gelijktijdige toezending aan de raden van de gemeenten. De rekening moet zijn vergezeld van een verslag van het onderzoek naar de getrouwheid en de rechtmatigheid van de jaarrekening ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de gemeentewet aangewezen deskundigen en van hetgeen het dagelijks bestuur voor zijn verantwoordingstaak verder dienstig acht. 2.. In de rekening wordt voor elk van de gemeenten overeenkomstig de toerekeningsmethodiek zoals verwoord in artikel 22, leden 5 en 6, het bedrag opgenomen dat voor rekening van de desbetreffende gemeente komt. De vergoeding voor diensten die de gemeente aan de dienst heeft geleverd worden hierbij separaat zichtbaar gemaakt. 3.. Na afloop van elk kalenderjaar en uiterlijk 4 weken na de vaststelling van de jaarrekening van de dienst vindt tussen de dienst en de gemeenten een definitieve afrekening plaats overeenkomstig de in artikel 22 vastgelegde afspraken. 4.. De raden van de gemeenten kunnen binnen 8 weken nadat de rekening overeenkomstig het eerste lid is toegezonden, daartegen bij het algemeen bestuur bezwaar indienen. 5.. Het algemeen bestuur onderzoekt de rekening en stelt haar vast uiterlijk op 1 juli van het jaar volgend op het jaar, waarop de rekening betrekking heeft. Het algemeen bestuur doet de raden van de gemeenten mededeling van de vaststelling. 6.. Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 7.. De rekening wordt binnen 2 weken na de afrekening, doch uiterlijk voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de rekening betrekking heeft aan Gedeputeerde Staten verzonden

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel