Naar hoofdinhoud
1.. Na afloop van de 2e termijn inventariseert de voorzitter of ten aanzien van hetgeen waarover besluitvorming wordt gevraagd (amendement, raadsvoorstel of motie), een raadslid (persoonlijk of namens de fractie) een stemverklaring wenst af te leggen. Een stemverklaring is kort en zakelijk. 2.. Na het afleggen van eventuele stemverklaringen, inventariseert de voorzitter of er behoefte is aan een hoofdelijke stemming. Indien er geen behoefte is aan hoofdelijke stemming is het voorstel automatisch aangenomen. 3.. Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter de leden van de Raad op alfabetische volgorde bij hun naam op en start bij de eerste stemmer die bij aanvang van de vergadering wordt bepaald. Bij het noemen van de naam schakelt de betreffende persoon zijn microfoon in. 4.. Het raadslid maakt zowel visueel als mondeling zijn stem kenbaar. Visueel doet hij dat door in beeld zijn duim omhoog (voor) of omlaag (tegen) te steken. Mondeling doet hij dat door ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken. 5.. De voorzitter gaat pas over tot het uitspreken van een volgende naam indien er geen misverstand kan ontstaan over de mondelinge en visuele wilsuitdrukking van het raadslid.

Rechtspraak bij dit artikel