In de gemeente Opsterland zijn er ongeveer 60 speeltuinen in de verschillende dorpen. Veel van deze speeltuinen worden dagelijks bezocht door de Opsterlandse kinderen. Het beheer van de speeltuin ligt bij speeltuincommissies die gevormd worden door vrijwilligers uit eigen dorp. Binnen Opsterland werken we graag vanuit de kracht van de inwoners: zij weten het best wat de buurt nodig heeft en waar behoefte aan is. De meeste commissies beschikken over een actief en betrokken bestuur, dat zich goed georganiseerd heeft. Een aantal speeltuincommissies leidt een wat sluimerend bestaan; het is vaak lastig om nieuwe vrijwilligers te werven.
De speeltuincommissies zijn verantwoordelijk voor het inrichten van de speeltuin en de aanschaf van de toestellen. Zodra zij het plan hebben om een speeltuin (her) in te richten, nemen zij contact op met de uitvoeringsmedewerker van de gemeente. Deze legt uit wat van de speeltuincommissie verwacht wordt en wat de te ondernemen stappen zijn. De stukken grond met bestemming “groen” mogen ingericht worden als speelvoorziening. Het is belangrijk dat de commissie eerst een draagvlakonderzoek uitvoert en van daaruit verder denkt. Zij stellen in overleg met een leverancier en een plan van aanpak op, die ter goedkeuring aan de beleidsadviseur speeltuinen voorgelegd wordt door de uitvoeringsmedewerker. De uitvoeringsmedewerker begeleidt dit proces en bereidt de grond voor op de komst van de speeltuin of het toestel.
Daarna is de commissie verantwoordelijk voor het klein onderhoud van de speeltuin. Het klein onderhoud bestaat uit bijvoorbeeld het verven en schoonhouden van de toestellen. Het groot onderhoud (bijvoorbeeld reparaties) wordt door de uitvoeringsmedewerker van de gemeente gedaan. Deze voert ook jaarlijkse inspecties uit en zorgt ervoor dat speeltoestellen die niet (meer) voldoen aan de eisen worden verwijderd. De speeltuincommissie zorgt desgewenst zelf voor de vervanging van het toestel. Speeltuincommissies krijgen jaarlijks een klein bedrag aan subsidie van de gemeente. Deze subsidie is gebaseerd op de nieuwwaarde van de toestellen.
Op dit moment is vaak voor de initiatiefnemers onduidelijk welke stappen ze moeten nemen en welke contactpersonen ze aan moeten spreken, waardoor langs elkaar heen gewerkt wordt. De huidige situatie verschilt overigens van het verouderde beleid uit 2005.
Hoofdstuk 2.
Artikel 3.