Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 7.

Voorwaarden en weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2020 1

1. . Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend (of de noodzaak achteraf nog kan wordenvastgesteld); de hulpvrager geen ingezetene is van de gemeente Aa en Hunze, onverminderd hetgeen bepaald is in de Wmo over beschermd wonen en opvang; indien het college door de hulpvrager niet in staat wordt gesteld om door middel van onderzoek vast te stellen of er een resultaatverplichting is voor het college; Indien opzettelijk onjuiste informatie wordt verstrekt of opzettelijk informatie wordt verzwegen, met oogmerk om op oneigenlijke gronden een maatwerkvoorziening te verkrijgen of te doen verkrijgen. 2. . Het college weigerteen maatwerkvoorziening gerichtop zelfredzaamheid en participatie als: de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; het college van oordeel is dat een hulpvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. 3. . Het college verstrekt geen woonvoorziening: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; als de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op maatschappelijke ondersteuning in hotels/pensions, trekkerswoonwagens, leef- en woongemeenschappen (of daarmee vergelijkbare woonvormen zoals een klooster), tweede woningen, vakantiewoningen en recreatiewoningen, tenzij in voor verblijf in deze woonvormen een persoonsgebonden beschikking of een omgevingsvergunning aan de cliënt is afgegeven; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van de gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. De op de grond van de Verordening aangebrachte voorzieningen mogen niet zonder schriftelijke toestemming van het college worden verwijderd.

Rechtspraak bij dit artikel