Naar hoofdinhoud
22.1. Indien het erfpachtrecht eindigt krachtens artikel 21 en de partijen er niet in geslaagd zijn om de schadevergoeding in der minne te regelen, bepalen deskundigen het bedrag, dat aan de erfpachter toekomt als schadevergoeding. Hieronder wordt verstaan volledige vergoeding van schade, zoals deze door de gemeente aan erfpachter moet worden betaald, indien het erfpachtrecht per de dag waarop deze ingevolge artikel 21.3 eindigt, zou zijn onteigend op basis van de ten tijde van dat besluit geldende tekst van de Onteigeningswet, met dien verstande dat in geval van beëindiging wegens planmatige reconstructie of vernieuwing, bij de bepaling van de schadeloosstelling voor het verlies van het gebruik van de onroerende zaak naar billijkheid en redelijkheid rekening wordt gehouden met de kosten van die planmatige reconstructie of vernieuwing. 22.2. Indien echter de op de onroerende zaak gestichte bebouwing is geëxploiteerd met aanmerkelijke geldelijke steun van de overheid, dan zal de schadevergoeding in afwijking van artikel 22.1 ten hoogste bedragen het niet afgeschreven gedeelte van de investering, waarin begrepen het bedrag dat eventueel ter vooruitbetaling van de canon is voldaan, uitgaande van de voor die investering bij of krachtens de wet voorgeschreven of normaal gebruikelijke afschrijvingsmethode. 22.3. Niet zal worden vergoed de waarde van hetgeen in strijd met de Algemene Bepalingen, de Bijzondere Bepalingen of enige andere bepaling of voorwaarde in de erfpachtakte is gesticht casu quo is tot stand gebracht, noch zal worden vergoed de schade die de erfpachter lijdt als gevolg van het beëindigen van een activiteit die in strijd met de Algemene Bepalingen, de Bijzondere Bepalingen of enige andere bepaling of voorwaarde in de erfpachtakte op de onroerende zaak en in de opstallen is casu quo wordt uitgeoefend, tenzij de gemeente daartoe schriftelijk toestemming heeft verleend. 22.4. De gemeente keert de aan de erfpachter toekomende schadevergoeding uit, na aftrek van al hetgeen de erfpachter op grond van de Algemene Bepalingen, de Bijzondere Bepalingen of enige andere bepaling of voorwaarde in de erfpachtakte met betrekking tot het erfpachtrecht, de onroerende zaak en de opstallen nog aan de gemeente verschuldigd is. 22.5. Indien het erfpachtrecht ten tijde van het eindigen van het recht met hypotheek is bezwaard, wordt in afwijking van artikel 22.4 de schadevergoeding, na aftrek van al hetgeen aan de gemeente met betrekking tot het erfpachtrecht, de onroerende zaak en de opstallen nog verschuldigd is, aan de hypotheekhouder(s) uitgekeerd tot een door de gemeente vast te stellen bedrag, gelijk aan het bedrag dat aan de hypotheekhouder(s) zou toekomen indien het een verdeling gold van de koopprijs in geval van gerechtelijke verkoop van het erfpachtrecht. Het daarna overblijvende bedrag van de schadevergoeding wordt uitgekeerd aan de erfpachter. 22.6. Generlei uitkering ingevolge dit artikel heeft plaats zolang de onroerende zaak met de opstallen niet ter vrije beschikking van de gemeente is gesteld, behoudens door derden rechtmatig verkregen gebruiksrechten en/of het eventuele retentierecht van de erfpachter. Uitsluitend voor de toepassing van dit artikel worden met rechtmatig verkregen gebruiksrechten gelijkgesteld anderszins door derden verkregen gebruiksrechten, welke naar het oordeel van de gemeente geen bezwaren opleveren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel