Naar hoofdinhoud
3.1. Ieder die een onroerende zaak van de gemeente in erfpacht wenst te verkrijgen, moet daartoe een aanvraag indienen bij de gemeente. 3.2. In afwachting van de aanvraag kan de gemeente onder door haar te stellen voorwaarden een jaarlijkse reserveringsvergoeding vorderen voor het reserveren van de onroerende zaak. 3.3. Alvorens omtrent een aanvraag tot uitgifte van de onroerende zaak in erfpacht te beslissen daartoe de aanbieding, als bedoeld in artikel 2.2, te doen, kan de gemeente van de gegadigde eisen, dat een waarborgsom in de gemeentekas wordt gestort, die overeenkomt met het voorlopig vastgestelde bedrag van de canon per jaar. Onder waarborgsom wordt in dit verband mede verstaan een ten genoegen van de gemeente gestelde bankgarantie. 3.4. Het in ontvangst nemen van een waarborgsom verplicht de gemeente niet de onroerende zaak aan de gegadigde in erfpacht uit te geven. Wordt besloten de onroerende zaak niet aan de gegadigde in erfpacht uit te geven, daaronder begrepen het niet tot stand komen van de aanbieding, als bedoeld in artikel 2.2, door de schriftelijke aanvaarding daarvan door de gegadigde, dan wordt de waarborgsom, vermeerderd met een redelijke rente, zo spoedig mogelijk gerestitueerd. 3.5. De waarborgsom vervalt aan de gemeente, indien de gegadigde niet binnen de door de gemeente bij aangetekende brief opgegeven redelijke termijn meewerkt aan het tot stand komen van de erfpachtakte. 3.6. De waarborgsom wordt gerestitueerd zonder dat de gemeente rente of kosten verschuldigd is, zodra de op de onroerende zaak te stichten opstallen naar het oordeel van de gemeente overeenkomstig de voorgeschreven bestemming en binnen de vereiste termijn in gebruik zijn genomen en aan de overige voorwaarden waaronder de onroerende zaak in erfpacht is uitgegeven is voldaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel